BelConLawBlog publishes a selected reading list of (I) new scholarship on Belgian constitutional law in journals and books, (II) decisions of the Belgian Constitutional Court, (III) upcoming conferences, and (IV) calls for papers. In order to submit relevant developments for our monthly overview, please contact us.

This overview was composed by Siemen Van den Broecke (student assistant, UGent).

 

I. Scholarship

A. Journals

  • De Juristenkrant, no. 353 (13 September 2017)

P. VAN DE WEYER en T. LEYS, “Grondwettelijk Hof breidt hoorplicht uit naar contractuele arbeidsrelaties in overheidsverband”, 6.

D. VOORHOOF, “Kazachgatemiljardair botst op persvrijheid in België”, 9.

N. LUYTEN, “Rolrechten en toegang tot de rechter: dansen op een slappe koord”, 17.

 

  • De Juristenkrant, no. 354 (27 September 2017)

M. VAN DER HAEGEN, “Potpourri V maakt cassatierechtspraak bindend na verwijzing”, 1.

 

  • Journal de droit européen, 2017, no. 6

M. RHIMES, “Brexit, une « marche à suivre » juridique encore semée d'inconnues”, 225-230.

 

  • Nieuw Juridisch Weekblad, 2017, no. 364

G. VAN HOORICK en A. VANHELLEMONT, “Dierenwelzijn. Een luis in de pels van de bescherming van eigendom?”, 426-431.

 

  • Nieuw Juridisch Weekblad, 2017, no. 365

S. HENNAU en S. KEUNEN, “Onbestuurbaarheid van gemeenten. Verleden, heden en toekomst”, 462-474.

 

  • Rechtskundig Weekblad, 2017-18, no. 3

J. VERNIMMEN en J. LIEVENS, ““Hier spreekt men Nederlands!” – Een kritische analyse van de voorrangsregeling voor Nederlandstaligen in het Brusselse onderwijs”, 82-91.

 

  • Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht, 2017, no. 6

J. THEUNIS, “Het Stabiliteitsverdrag-arrest: ‘the making of’”, 298-304.S. SOTTIAUX, “Het Stabiliteitsverdragarrest in het licht van de rechtspraak van de hoogste Belgische rechtscolleges”, 305-309.

E. CLOOTS, “Het mysterie van de Belgische nationale en constitutionele identiteit”, 310-321.

E. SLAUTSKY, “L’arrêt relatif au Traité sur la stabilité, la coordination et la gouvernance : comparaison avec la situation en France”, 330-346.

P. GERARD, “Het stabiliteitsverdrag – arrest vanuit Duits perspectief”, 347-353.

P. VAN NUFFEL, “De nationale identiteit van de lidstaten: bouwsteen of splijtzwam voor het recht van de Europese Unie?”, 354-365.

A. ALEN, “De nationale identiteit – Slotwoord [Stabiliteitsverdragarrest Grondwettelijk Hof]”, 366-372.

 

  • Tijdschrift voor Wetgeving, 2017, no. 3

J. VAN NIEUWENHOVE en L. VERHEY, “Redactioneel. Delegatie en de gevolgen voor de wetgevingspraktijk in België en Nederland.”, 174-177.

J. VAN NIEUWENHOVE, “Delegatie van regelgevende bevoegdheid in België.”, 196-211.

S. VERSTRAELEN, “Aansprakelijkheid bij vaststelling van een ongrondwettige lacune; wanneer blaffende honden niet bijten.”, 212-232.

J. VAN NIEUWENHOVE, “Wetgevingstechniek. Formuleren van delegaties.”, 233-235.

K. STEEN en P.D.G. CABOOR, “Parlementair recht. De parlementaire overlegcommissie en het regelen van bevoegdheidsconflicten tussen de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat: recente toepassingsgevallen.”, 236-241.
 

B. Books

  • A. WIRTGEN, W. PAS, S. VAN DROOGHENBROECK, E. VANDENBOSSCHE, J. SAUTOIS, P. PEETERS, D. YERNAULT, T. DE PELSMAEKER, F. GOSSELIN, De Brusselse instellingen anno 2017, Die Keure, 2017 (verschijnt binnenkort).
     
  • E. LANCKSWEERDT, Alternatieve conflictoplossing met de overheid, Brugge, Die Keure, 2017, 505 p.
     
  • S. BRACKE, G. GOEDERTIER en J. VANDE LANOTTE, België voor beginners. Wegwijs in het Belgisch labyrint, Brugge, Die Keure, 2017, 317 p.  
     
  • V. DE SAEDELEER, N. LAGASSE, E.  VANDENBOSSCHE, N. ANGELET, M. BENATAR, P. DEGEZELLE, M. FONTAINE, P. FRUMER, C. GOSSIAUX, M. HEINE, V. KOUTROULIS, N. LANGE, V. MEEUS, E. THIBAUT, P. VANDERNACHT, T. WERTS, Questions juridiques d'actualité en lien avec la défense / Actuele juridische vraagstukken met betrekking tot defensie, Die Keure, 2017, 424 p.

 

II. Decisions of the Belgian Constitutional Court

A. Violation of the Constitution / interpretation in accordance with the Constitution  

The Belgian Constitutional Court:

  • oordeelt dat, de artikelen 32, 3°, en 37, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, in die zin geïnterpreteerd dat zij een beletsel vormen voor het recht van een door een overheid tewerkgestelde werknemer om vóór zijn ontslag, om redenen die verband houden met zijn persoon of zijn gedrag, te worden gehoord, ongrondwettig zijn;

     

     

    dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij geen beletsel vormen voor het recht van een door een overheid tewerkgestelde werknemer om vóór zijn ontslag, om redenen die verband houden met zijn persoon of zijn gedrag, te worden gehoord, niet ongrondwettig zijn; (6 July 2017, no. 86/2017);

 

  • stelt dat, in die zin geïnterpreteerd dat de “ Ordre des barreaux francophones et germanophone “ voor de gewone rechtscolleges geen vordering kan instellen die ertoe strekt het collectieve belang te behartigen van de rechtzoekenden wanneer zij met name een schending aanvoert van de fundamentele vrijheden die zijn erkend door de Grondwet en door de internationale verdragen die België binden, artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek de Grondwet schendt;

     

     

    in die zin geïnterpreteerd dat de “ Ordre des barreaux francophones et germanophone “ voor de gewone rechtscolleges een vordering kan instellen die ertoe strekt het collectieve belang te behartigen van de rechtzoekenden als subjecten van rechterlijke beslissingen met betrekking tot de fundamentele vrijheden die zijn erkend door de Grondwet en door de internationale verdragen die België binden, en waarbij zij een schending daarvan aanvoert, artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek grondwettig is; (6 July 2017, no. 87/2017);

 

  • beschouwt artikel 10, § 3, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag ongrondwettig, in zoverre het de bijzondere forfaitaire bijslag afhankelijk maakt van de vereiste dat de beoogde persoon onmiddellijk voorafgaand aan de plaatsing van het kind in een instelling reeds de krachtens die wet gewaarborgde gezinsbijslag voor dat kind heeft genoten; (6 July 2017, no. 90/2017);

 

  • oordeelt dat, geïnterpreteerd in die zin dat het de toepassing van een afzonderlijke aanslag verhindert in alle gevallen waarin de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd binnen de termijn van twee jaar en zes maanden, zelfs wanneer de belastingadministratie niet heeft kunnen overgaan tot de belasting van de verkrijger binnen de voorgeschreven termijn, artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de Grondwet schendt;

     

     

    geïnterpreteerd in die zin dat het de toepassing van een afzonderlijke aanslag niet verhindert indien de verkrijger werd geïdentificeerd binnen de termijn van twee jaar en zes maanden maar de belastingadministratie niet heeft kunnen overgaan tot de belasting van de verkrijger binnen de voorgeschreven termijn, artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 grondwettig is;  (13 July 2017, no. 92/2017);

 

  • beschouwt artikel 134, § 2, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie de ongrondwettig in zoverre het enkel van toepassing is op personen die betalende diensten via elektronische communicatienetwerken aanbieden;

     

     

    de gevolgen van die bepaling worden gehandhaafd totdat de wetgever nieuwe bepalingen aanneemt en uiterlijk tot 31 december 2018; (13 July 2017, no. 93/2017);

 

  • acht artikel 343, § 1, b), van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 162 en 164 van hetzelfde Wetboek, in zoverre het de gewone adoptie van de kinderen van de ene feitelijk samenwonende partner door de andere samenwonende partner niet toelaat wanneer er tussen hen sprake is van een huwelijksbeletsel waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen, een schending van de Grondwet; (13 July 2017, no. 95/2017);

 

  • stelt dat, artikel 35, § 2, eerste lid, 1°, van het fiscaal decreet van het Waalse Gewest van 22 maart 2007 “tot bevordering van afvalpreventie en -valorisatie in het Waalse Gewest en tot wijziging van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen”, in die zin geïnterpreteerd dat de belasting op afvalbezit ten laste kan worden gelegd van de eigenaar van een terrein waar het in het geding zijnde afval is achtergelaten door een geïdentificeerde derde, die met toepassing van de artikelen 39 en 40 van hetzelfde decreet had moeten worden belast, terwijl dat niet is gebeurd, de Grondwet schendt;

     

     

    in die zin geïnterpreteerd dat de belasting op afvalbezit niet ten laste kan worden gelegd van de eigenaar van een terrein waar het in het geding zijnde afval is achtergelaten door een geïdentificeerde derde, zelfs indien hij niet door de administratie is belast met toepassing van de artikelen 39 en 40 van hetzelfde decreet, terwijl dat had moeten gebeuren, grondwettig is; (19 July 2017, no. 96/2017);

 

  • vernietigt artikel 114/1, eerste lid, 3° en 4°, van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, zoals ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 3 augustus 2016 houdende diverse bepalingen inzake spoorwegen, dewelke bepaalt dat binnen de Belgische Spoorwegen enkel de representatieve of erkende syndicale organisaties deelnemen aan  de procedure van aanzegging en overleg naar aanleiding van sociale conflicten overeenkomstig het syndicaal statuut van de Belgische Spoorwegen en de sociale verkiezingen; (26 July 2017, no. 101/2017);

 

  • oordeelt dat, artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006 “betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten”, in samenhang gelezen met de artikelen 25, 56, tweede lid, en 80 van het Strafwetboek en met artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden ongrondwettig is, in zoverre het tot gevolg heeft dat een persoon die zich in staat van wettelijke herhaling bevindt in de zin van artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek en die door de correctionele rechtbank wordt veroordeeld wegens een met opsluiting van vijftien tot twintig jaar strafbare misdaad die is gecorrectionaliseerd, pas aanspraak kan maken op een voorwaardelijke invrijheidstelling nadat hij twee derden van zijn straf heeft ondergaan, terwijl een persoon die wegens dezelfde misdaad die in dezelfde omstandigheden is gepleegd, naar het hof van assisen is verwezen en die tot een criminele straf wordt veroordeeld, reeds aanspraak kan maken op een voorwaardelijke invrijheidstelling nadat hij één derde van zijn straf heeft ondergaan; (26 July 2017, no. 102/2017);

 

B. No violation of the Constitution

The Belgian Constitutional Court:

  • oordeelt dat, artikel 19bis-13, § 3, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, dat specifieert in welke gevallen de Koning de vergoeding die het Fonds uitkeert aan slachtoffers van een ongeval kan beperken tot schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt; (6 July 2017, no. 88/2017);

 

  • bepaalt dat, artikel 12 van het Strafwetboek, zoals hersteld bij artikel 19 van de wet van 15 mei 2006 “tot wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het Wetboek van strafvordering, het Strafwetboek, het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe gemeentewet en de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie“, dat bepaalt dat levenslange opsluiting of levenslange hechtenis niet wordt uitgesproken ten aanzien van een persoon die op het tijdstip van de misdaad de volle leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet niet schendt; (6 July 2017, no. 91/2017);

 

  • stelt dat, artikel 21, § 3, derde lid, laatste zin, van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden, vóór de wijziging ervan bij artikel 60 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen dat de verjaringstermijn voor de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde prestaties in geval van bedrieglijk opzet stipuleert, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt; (13 July 2017, no. 94/2017);

 

  • beschouwt de artikelen 35 en 38 van het fiscaal decreet van het Waalse Gewest van 22 maart 2007 “tot bevordering van afvalpreventie en -valorisatie in het Waalse Gewest en tot wijziging van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de directe gewestelijke belastingen”, die een belasting op afvalbezit invoeren, grondwettig en in overeenstemming met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; (19 July 2017, no. 96/2017);

 

  • acht de artikelen 1792, dat de architect en de aannemer gedurende 10 jaar aansprakelijk stelt voor een gebrek in de bouw indien dat gebouw voor een vaste prijs is opgericht, en art. 2270, dat stelt dat na verloop van tien jaren architecten en aannemers ontslagen zijn van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd of geleid, van het Burgerlijk Wetboek grondwettig; (19 July 2017, no. 98/2017);

 

  • bepaalt dat, artikel 2bis van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, ingevoegd bij artikel 3 van de ordonnantie van 13 april 1995, dat de voorwaarden voor een kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing vaststelt, de Grondwet niet schendt; (19 July 2017, no. 99/2017);

 

  • schorst artikel 13 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 29 maart 2017 betreffende de studie geneeskunde en de studie tandheelkunde doch enkel in zoverre het de studenten die vóór de inwerkingtreding van dat decreet zijn ingeschreven voor de studies van de eerste cyclus in de geneeskunde en in de tandheelkunde, die een verminderd programma hebben gevolgd en die geslaagd zijn voor de cursussen waarin hun verminderingsovereenkomst voorziet, verhindert om de eerste 60 studiepunten van het studieprogramma van de eerste cyclus te verwerven alvorens te slagen voor het ingangs- en toelatingsexamen; (1 September 2017, no. 103/2017).

 

  • stelt dat, artikel XI.29, § 1, b), van het Wetboek van economisch recht in overeenstemming is met de Grondwet en het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in de interpretatie dat voor de toepassing ervan vereist is dat, naast het bestaan van een aanbod in België om de werkwijze toe te passen, dat aanbod zou worden gemaakt met het oog op een daaropvolgende toepassing van de werkwijze op Belgisch grondgebied; (28 September 2017, no. 105/2017)

 

III. Upcoming conferences

Print Friendly, PDF & Email
Share on Social Media

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *