Lisa Duquet en Leontien Verpaele (master studenten, UGent), Jurgen Goossens (universitair hoofddocent Tilburg University en vrijwillig medeweker UGent) en Sien Devriendt (assistente, UGent)

Naar aanleiding van het ophefmakende voorstel van de Islampartij om mannen en vrouwen te scheiden op de bus en de Sharia in te voeren in België, ontstond een verhitte discussie over de mogelijke invoering van een partijverbod. Reeds drie Franstalige partijen hebben voorstellen ingediend om een verbod in te voeren voor partijen met antidemocratische ideeën. In tegenstelling tot andere staten zoals Duitsland, Frankrijk of Spanje, kent België dit rechtsinstrument niet. De vraag naar meer duiding omtrent de invoering van dergelijk partijverbod, dringt zich dan ook op.

Nood aan een partijverbod?

De weerbare democratie (Streitbare Demokratie of militant democracy) gaat na in welke mate de democratie tolerant mag zijn en wanneer zij moet ingrijpen ter verdediging van de democratie zelf. Democratie en pluralisme moeten immers gewaarborgd blijven. Politieke partijen spelen hierbij een essentiële rol. Het is evenwel mogelijk dat een democratisch verkozen partij de fundamentele democratische principes en grondrechten dreigt af te bouwen. In dat geval rijst de vraag of een (grond)wettelijk instrument om politieke partijen te verbieden mogelijk is. Een partij is dan mogelijks on(grond)wettig als zij de fundamentele democratische waarden niet nastreeft of deze in gevaar brengt. Dit verbod moet worden afgewogen tegen de grondwettelijke vrijheden van de politieke partij: vrijheid van meningsuiting en van vereniging.

In Duitsland ligt dit zeer gevoelig na de historische overwinning van de NSDAP in 1933 met al zijn gevolgen. Duitsland heeft dan ook een grote bescherming van de democratische rechtsstaat ingevoerd waaronder een grondwettelijk partijverbod. Het verbod is toegepast in 1952 en 1956. Meer recent kwam het verbod opnieuw in opspraak in een zaak tegen de NPD (Nationaldemokratische Partei Deutschlands). Het Bundesverfassungsgericht besloot dat de partij ongrondwettig is omdat ze streeft naar een antidemocratisch staatsmodel (“Volksgemeinschaft”). Toch wordt deze partij niet verboden omdat het zeer onwaarschijnlijk is dat de NPD dit streefbeeld bereikt.  

De enige mechanismen in België om een partij te beteugelen die de democratische waarden in gevaar brengt, zijn het strafrecht en het intrekken van de partijfinanciering. De partijfinanciering wordt ingetrokken indien de politieke partij vijandig staat tegenover de rechten en vrijheden uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en de aanvullende protocollen. Deze sanctie is echter nog nooit uitgesproken. De dotatie van een Vlaamse fractie kan ook ingetrokken worden omwille van een veroordeling voor racisme, xenofobie of negationisme. Preventief zijn partijen wel verplicht zich ertoe te verbinden de fundamentele rechten uit het EVRM en protocollen te respecteren, willen ze in aanmerking komen voor een partijdotatie.

Partijverbod en het EVRM

Artikel 11 EVRM

Artikel 11 van het EVRM waarborgt de vrijheid van vereniging. Dit artikel geeft elke burger het recht om op een vreedzame wijze een vereniging te sluiten, met inbegrip van een vakvereniging. Ook een politieke partij kan onder dit begrip gevat worden. Paragraaf twee van het artikel voorziet in de mogelijkheid tot een beperking op dit recht, indien het bij wet is voorzien.

Het Europees Hof voor de Rechten van de mens (hierna: EHRM) heeft zich al een paar keer uitgesproken over de rechtmatigheid van een partijverbod. Het spraakmakendste arrest van het EHRM was dat inzake de Welvaartspartij (Refah Partisi t/ Turkije, 31 juli 2001 en Refah Partisi t/ Turkije, 13 februari 2003). In deze arresten besluiten zowel een gewone als de Grote kamer dat de beslissing van het Turkse Grondwettelijk Hof om een partij met islamitische grondslag te ontbinden niet in strijd is met artikel 11 EVRM. Dit is opmerkelijk, want  in twee voorgaande zaken (United Communist Party of Turkey e.a. t/ Turkije, 30 januari 1998; Freedom and Democracy Party (ÖZDEP) t/ Turkije, 8 december 1999, besloot het Hof telkens tot een schending van datzelfde artikel. 

De Welvaartspartij werd opgericht in Turkije in 1983. In 1995 werd ze de grootste partij van Turkije. Het Turkse Grondwettelijke Hof begon in 1997 echter een procedure om de partij te ontbinden op grond van het feit dat leiders en andere vertegenwoordigers van de partij pro-islamitisch gedrag vertoonden. Ze zouden van de partij namelijk een centrum van activiteiten die niet in overeenstemming met het principe van “scheiding tussen moskee en staat” hebben gemaakt. Het Hof besloot uiteindelijk te partij te ontbinden.

Hierop trok de partij, en drie van haar veroordeelde leden naar het EHRM, op basis van schending van de artikelen 9, 10, 11, 14, 17 en 18 EVRM en artikelen 1 en 3 van het Eerste Protocol. Dit wordt door het Hof behandeld als een beperking van artikel 11 EVRM. Het Hof herhaalt dat dit artikel samen met de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM), als één van de doelstellingen van de vrijheid van vereniging, moet worden gelezen.

Het Hof bakent in dit arrest vooreerst de grenzen af waarbinnen politieke formaties actie mogen voeren en aanspraak kunnen maken op de bescherming van het Verdrag. Hierbij wordt verwezen naar het standpunt dat het Hof heeft ingenomen in de zaak Verenigde Communistische Partij v. Turkije. Hierin verduidelijkt het Hof dat een politieke partij mag opkomen voor een wetswijziging of een verandering van grondwettelijke structuren van het land, indien aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moeten de aangewende middelen in elk opzicht wettig en democratisch zijn. Ten tweede moet de voorgestelde hervorming op zichzelf in overeenstemming zijn met de algemene principes van de democratie.

De hoofdvraag die in casu gesteld wordt, is of de ontbinding effectief noodzakelijk is in een democratische samenleving. Met andere woorden, is er sprake van een zogenaamde pressing social need (dringende maatschappelijke noodzaak), waardoor de democratie bedreigd wordt. Om hieraan te voldoen, moeten volgens het Hof drie vereisten vervuld zijn. Eerst en vooral moet er een plausibel bewijs zijn dat de bedreiging voor de democratie voldoende imminent is, in de veronderstelling dat deze bedreiging bewezen is. Vervolgens moeten de handelingen en speeches van leiders en leden van de politieke partij aan de partij als geheel kunnen worden aangerekend. Tenslotte moeten deze handelingen en speeches een geheel vormen dat een duidelijk beeld geeft van een door de partij nagestreefd maatschappelijk model dat incompatibel is met het concept van een democratische samenleving.

Het Hof komt tot de conclusie dat aan deze voorwaarden is voldaan en dat er geen sprake is van een schending van artikel 11 EVRM. De argumenten van het Hof zijn drieledig. Eerst en vooral zou de Welvaartspartij een multi-juridisch systeem trachten in te voeren. Ten tweede wil de Welvaartspartij de Sharia toepasselijk maken op de islamgemeenschapen. Ten slotte zouden sommige leden van de Welvaartspartij de heilige oorlog (Jihad) als politieke methode hebben verdedigd. De meerderheid besluit dan ook dat voor het afschaffen van de Welvaartspartij een dringende maatschappelijke noodzaak bestaat. De standpunten van de vooraanstaande leden vormen namelijk een coherent geheel dat erop wijst dat de partij, indien ze aan de macht zou komen, de Turkse samenleving zou hervormen naar een systeem dat onverzoenbaar is met de algemene principes van de democratie.  Er is met andere woorden dus sprake van een pressing social need en een imminent danger.

Ook artikel 9 EVRM, hetwelk de vrijheid van godsdienst waarborgt, is volgens het Hof niet geschonden. Er wordt in casu namelijk beklemtoond dat het principe van secularisme één van de fundamentele principes is van de staat, in overeenstemming met het principe van de rechtsstaat en het respect voor de mensen en democratie. Een partij die dit principe niet respecteert, zal zich niet noodzakelijk kunnen beroepen op de bescherming van artikel 9 EVRM. 

Het Hof benadrukt ten slotte ook nog dat de beperking op artikel 11 EVRM restrictief moet worden geïnterpreteerd en dat de lidstaten bijgevolg slechts een beperkte appreciatiemarge hebben. Dit betekent dat drastische maatregelen, zoals het ontbinden van een volledige partij, enkel hoogst uitzonderlijk kunnen worden genomen. Dit kan het geval zijn wanneer een partij door haar concrete acties de openbare veiligheid en openbare vrede ondermijnt. Een partijverbod kan dus enkel worden gebruikt als laatste redmiddel.

Artikel 17 EVRM

Artikel 17 EVRM verbiedt misbruik van de grondrechten en stelt dat “geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon een recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien”. De Europese Commissie voor de Rechten van de Mens wees, voor het arrest van de Welvaartspartij, al systematisch klachten af van personen die waren veroordeeld onder wetten die het verspreiden van racistische, nazistische of revisionistische ideeën verbieden. Dit deed de Commissie vooral uit vrees voor extreemrechts. Hierbij deden zij vaak beroep op artikel 17 EVRM. Het leek dus ook voor het Welvaartspartij-arrest al duidelijk dat het EHRM het verbod van een extreem rechtse partij met een sterk discriminerend programma zou toestaan.

Hangende wetsvoorstellen

De partijen PS, Défi en MR hebben wetsvoorstellen ingediend ter invoering van een grondwettelijk partijverbod. De voorstellen van de PS en Défi leunen dicht bij elkaar aan en betreffen een uitgewerkt verbod. Het MR-voorstel legt de nadruk op de opname van de politieke partijen in de Grondwet en werkt het verbod niet verder uit. 

De drie voorgestelde partijverboden hanteren een verschillend begrip ‘verbod’. Volgens Défi betreft het een verbod om deel te nemen aan de eerstvolgende verkiezingen. Volgens de PS kan het daarnaast ook om de ontbinding van de partij gaan. Défi en de PS achten het Grondwettelijk Hof bevoegd om het verbod uit te spreken. De MR specifieert niet wat onder verbod moet worden begrepen.

PS en Défi plaatsen het artikel als eerste artikel onder Titel II: De Belgen en hun rechten van de Grondwet. De MR plaatst het artikel verder onder deze titel, meer precies na artikel 27 over de vrijheid van vereniging. Het gaat telkens om een specifiek artikel dat zou worden ingevoegd. In de Duitse, Franse en Spaanse Grondwet worden eerst de principes van de staatsstructuur uiteengezet waarna een meer specifieke bepaling over politieke partijen volgt. De PS lijkt voormelde landen te willen volgen. Ze heeft namelijk een tweede wetsvoorstel ingediend om het begrip scheiding van kerk en staat te verduidelijken en in de Grondwet te verankeren. Zo wordt de weerbare democratie meer alomvattend dan een specifiek partijverbod grondwettelijk gewaarborgd.

Als reactie op de Islampartij werd ook een wetsvoorstel ingediend door de cdH ter strafbaarstelling van (het samenwerken met) een groepering die discriminatie of segregatie voorstaat.

De wetsvoorstellen in het licht van de EHRM-rechtspraak

Houden de wetsvoorstellen nu rekening met een “pressing social need”? De beantwoording hiervan behoeft uiteraard een concrete beoordeling van een concrete casus.

Ten eerste moet de bedreiging van de democratie voldoende imminent zijn (“imminent danger”). PS en Défi verwoorden hoe deze bedreiging zich kan veruitwendigen gelet op het doel van de partij of de houding van de leden: afbreuk doen, omverwerpen, geweld, daartoe oproepen, schenden of vernietigen van de democratie. De MR vermeldt enkel “afbreuk doen”.

Daarnaast moeten de handelingen kunnen worden toegerekend aan de partij als geheel. Alle wetsvoorstellen betreffen de gehele partij. Er wordt verwezen naar het doel en de houding van de leden door de PS en Défi.

Tot slot wordt de Belgische democratie omschreven om te kunnen bepalen welk maatschappelijk model ermee onverenigbaar is. MR gebruikt de “fundamentele vrije en democratische orde” als grondslag net zoals in de Duitse Grondwet (“freiheitliche demokratische Grundordnung”).

Défi en de PS verwijzen naar de publieke vrijheden uit de Grondwet, het EVRM en aanvullende Protocollen. Democratie komt dus niet letterlijk voor in deze laatste twee voorstellen, en bijgevolg ook niet in de gehele Grondwet. Het EHRM heeft echter al bepaald dat democratie het enige mogelijke stelsel is onder het EVRM (United Communist Party of Turkey e.a. t/ Turkije, 30 januari 1998).

De wetsvoorstellen laten dus toe de “pressing social needin concreto na te gaan.

Toekomst in België

Juridisch is het mogelijk om na een grondwetsherziening het partijverbod in te voeren in België. Er is evenwel nood aan overleg om de neuzen in dezelfde richting te brengen over de concrete vorm van een mogelijke regeling van een partijverbod. Cruciaal is de uitwerking van het verbod: de ontbinding van de partij en/of het verbod om deel te nemen aan de eerstvolgende verkiezingen? Daarnaast moet worden nagedacht of alleen een concreet partijverbod of ook een verdere verankering van de democratie in de Grondwet opportuun is.

Bibliografie

WETGEVING

  • Voorstel tot herziening van de Grondwet, tot invoeging van een artikel 7ter inzake het verbod op vrijheidsvernietigende partijen, Parl.St.Kamer 2017-18, nr. 3207.
  • Wetsvoorstel tot strafbaarstelling van het behoren tot of het samenwerken met een groepering die discriminatie of segregatie voorstaat, Parl.St.Kamer 2017-18, nr. 3265.
  • Voorstel tot herziening van de Grondwet teneinde de voorrang van het positief recht op elk religieus of levensbeschouwelijk voorschrift te versterken, de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de gelijkheid van man en vrouw beter te waarborgen alsook de laïciteit van de Belgische Staat te verankeren, Parl.St.Kamer 2017-18, nr. 3269.
  • Voorstel tot herziening van de Grondwet met het oog op de erkenning van de politieke partijen, Parl.St.Kamer 2017-18, nr. 3299.
  • Voorstel tot herziening van de Grondwet, teneinde de vrijheidsvernietigende en niet-democratische partijen te ontbinden of ze te verbieden deel te nemen aan de verkiezingen, Parl.St. 2017-2018, nr. 3333.

RECHTSLEER

  • BREMS, E., “Europees Hof voor de Rechten van de Mens ”, T.Vreemd. 2001, nr. 4, 309-318.
  • DE LANGE, R., EFTHYMIOU, N. en VAN TIENEN, F., Risico’s voor de democratie, Rotterdam, 2016, 179 p.
  • ELLIAN, A., MOLIER, G. en RIJPKEMA, B., “Weerbare democratie en het probleem van timing”, NJB 2017, afl. 24, 1650-1660.
  • SOTTIAUX, S., DE PRINS, D., De juridische strijd tegen antidemocratische organisaties: enkele bedenkingen bij het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake de Turkse welvaartspartij, TBP 2002, afl. 4, 219-231.
  • VANDE LANOTTE, J., GOEDERTIER, G., HAECK, Y., GOOSSENS, J., en DEPELSMAEKER, T., Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2015, 1594 p.
  • VANDEN HEEDE, P., “Te veel politiek en te weinig recht: risico’s van een partijverbod”, Juristenkrant 2002, nr 47, 10.
  • VERSTICHEL, A., “Vrijheid van vereniging – Ontbinding van politieke partij wegens schending grondwettelijk principe van scheiding van kerk en staat”, RW 2004-05, nr. 5, 194-196.
  • ZOETHOUT, C., “De Grondwet in het Arabisch en andere Nederlandse constitutionele vraagstukken”, TPB 2016, afl. 3, 173-178.

RECHTSPRAAK

  • EHRM, 13 februari 2003, nr. 41340/98, Refah Partisi e.a./Turkey.
  • EHRM, 30 januari 1998, nr. 19392/92, United Communist Party of Turkey e.a./Turkey.
  • EHRM, 8 december 1999, nr. 23885/94, Freedom and Democracy Party/ Turkey.
  • BVerfG 17 januari 2017, 2 BvB 1/13 (NPD II).

VARIA

Print Friendly, PDF & Email
Share on Social Media

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *