See English version below.

Dubbel-interview met Prof. J. Vande Lanotte (UGent) & Prof. S. Sottiaux (KU Leuven Kulak)

Moderator Jurgen Goossens (doctoraal onderzoeker, UGent)

m.m.v. Anna Vanhellemont (masterstudent Grondige Studie Grondwettelijk Recht, UGent)

Het heeft 541 dagen geduurd om een akkoord te bereiken over de zesde staatshervorming, die momenteel volop wordt geïmplementeerd. Als afsluiter van BelConLawBlog’s overzicht van de zesde staatshervorming rijst de vraag hoe het Belgisch (con)federalisme verder dient te evolueren. In een uniek dubbelinterview trachten Johan Vande Lanotte en Stefan Sottiaux hier een antwoord op te formuleren. Johan Vande Lanotte is Minister van Staat, lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, en professor Staatsrecht aan de Universiteit Gent. Hij was heel nauw betrokken bij de onderhandelingen over de meest recente staatshervormingen. In het vlugschrift ‘De Belgische Unie bestaat uit vier deelstaten’ heeft hij de krijtlijnen van een toekomstmodel voor België uitgetekend. Stefan Sottiaux is professor Grondwettelijk Recht en Administratief Recht aan KU Leuven Kulak. In zijn boek ‘De Verenigde Staten van België’ reflecteert hij over de toekomst van België en het grondwettelijk recht in de gelaagde rechtsorde. Hierna volgt een beknopte weergave van het video-interview.

Hoe zien jullie de toekomst van het Belgisch federalisme?

Sottiaux: Op het Belgische federale niveau worden we met een probleem geconfronteerd. Er is een discrepantie tussen de legitimiteit van de federale besluitvorming en de bevoegdheden van dat federale niveau. Gelet op de sterke herverdelende bevoegdheden op het federale niveau, zoals de sociale zekerheid en de fiscaliteit, is de Belgische federale unie democratisch onvoldoende gelegitimeerd. Hiervoor zijn twee oorzaken. Ten eerste ontbreekt er een democratische politieke ruimte met Belgische partijen. Ten tweede zijn de Belgische federale instellingen ‘over-gefederaliseerd’, om de terminologie van het Duitse Grondwettelijke Hof te gebruiken. Er is geen evenwicht tussen het federale principe, dat de rechten van kleine deelstaten moeten worden beschermd, en het democratische principe, dat elke burger van de federale unie een gelijke stem moet hebben in de besluitvorming. Deze gelijkheid van de burger wordt aangetast door de bestaande grendelmechanismen, zoals de taalpariteit in de ministerraad en de alarmbelprocedure. Het mogelijke antwoord op deze problematiek is tweeledig. Enerzijds is het wenselijk om het federale besluitvormingsniveau te democratiseren door het instellen van een federale kieskring, eventueel gepaard gaande met het afbouwen van de grendelmechanismen. Een andere optie is de verdere devolutie van de belangrijke herverdelende bevoegdheden. Beide opties kunnen gecombineerd worden: de ene optie sluit de andere niet uit.

Vande Lanotte: “Ik denk dat de grootste uitdaging is om meer transparantie te brengen in ons staatsbestel dat reeds zes staatshervormingen heeft gekend. Het is belangrijk dat de burger weet hoe zijn land in elkaar zit. Vandaar mijn pleidooi om met vier deelstaten te werken, namelijk Vlaanderen, Brussel, Wallonië en de Duitstalige Gemeenschap. Deze deelstaten krijgen elk hun eigen bevoegdheden, zonder de bestaande wirwar van Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, gemeenschappen en gewesten. Hierbij moeten duidelijke bevoegdheidsafspraken gemaakt worden en moeten sociaal-economische rechten naar de deelstaten gaan, zoals reeds met de kinderbijslag gebeurd is. Dit kan ook op andere vlakken, zolang er solidariteitsmechanismen blijven bestaan. Men moet in een staatsstructuur kunnen leven waar niet iedere tien jaar wordt gedacht aan hervormingen. Stabiliteit in de structuren zorgt voor meer vertrouwen bij de burger.”

Wat zijn de concrete uitdagingen voor de onderhandelaars van een mogelijke zevende staatshervorming, zowel op het vlak van institutionele hervormingen als een herverdeling van de bevoegdheden?

Sottiaux: Ik sluit me wat dat betreft aan bij de opmerking van collega Vande Lanotte. Ik denk dat het duidelijk is dat we moeten evolueren naar een staatsstructuur die helder en transparant is voor de bevolking. We moeten afstappen van het oude onderscheid tussen gemeenschappen en gewesten en evolueren naar een federalisme van drie of vier deelstaten, bijvoorbeeld door het omvormen van de klassieke federale staat in een federale unie of een unie van staten. Deze vorm bevindt zich tussen een federale staat, waar het centrale niveau over de soevereiniteit en de belangrijkste bevoegdheden beschikt, en een confederatie, waar de soevereiniteit bij de lidstaten berust. In dergelijke tussenvorm wordt de soevereiniteit gedeeld tussen de beide niveaus. We worden vandaag in België reeds geconfronteerd met een combinatie van federale en confederale besluitvorming; deze heldere nieuwe staatsstructuur zou beter aansluiten bij die realiteit.

Zijn Brussel en de Duitstalige Gemeenschap levensvatbaar als deelstaten binnen dergelijke nieuwe staatsstructuur?

Vande Lanotte: Dat is een kwestie van financiering. De grootte van een deelstaat is niet wat telt. De vraag is of de entiteit correspondeert met een realiteit. In België zijn Brussel en de Duitstalige gemeenschap een realiteit. De Duitstalige gemeenschap heeft bijvoorbeeld in haar onderwijssysteem, waarvoor ze bevoegd is, een goed beleid gevoerd.

Sottiaux: Ik denk dat we bij de verdere devolutie van sociale en economische bevoegdheden eveneens moeten nadenken over het omvormen van de gemeenschappen en de gewesten tot echte deelstaten. Dit is een evolutie die aansluit bij de maatschappelijke realiteit.

Zijn er juridische of ideologische principes die een rem vormen een verdere defederalisering van bevoegdheden?

Vande Lanotte: Dat is een moeilijke vraag. Professor Sottiaux heeft daarnet vanuit een sterk theoretisch concept een realiteitsvisie gegeven, ik heb vanuit praktische ervaring een theoretisch model naar voor gebracht. Ik denk dat er één groot probleem is bij verdere devolutie, namelijk de sociaal-economische verwevenheid van bepaalde zaken. Fiscale devolutie uitwerken praktisch zeer moeilijk. Hoe gaat men meer fiscale autonomie voor de deelstaten uitwerken in een land waar zoveel mobiliteit is op het vlak van zorg en werk, zonder aan solidariteit te raken of negatieve neveneffecten te ondervinden? De wijze waarop deze solidariteit moet worden georganiseerd is het allerbelangrijkste vraagstuk. Bij deze zesde staatshervorming bleek ook dat het huidige solidariteitsmechanisme geen goed mechanisme meer is. Men had nooit verwacht dat het fiscaal inkomen van Brussel zo sterk zou dalen.

Sottiaux: Juridische principes die een rem vormen, zie ik niet. Dit is meer een politieke beslissing. Er zijn natuurlijk wel een aantal Europese, juridische parameters waarmee men rekening moet houden, onder andere het woon- en werkplaatscriterium, en op vlak van BTW. Het democratiebeginsel en het solidariteitsbeginsel als bevoegdheidsverdelende criteria moeten niet tegenover elkaar worden geplaatst. Ik denk dat ze hand in hand moeten gaan. Men kan geen echte, diepgaande en stabiele solidariteit creëren op een besluitvormingsniveau dat een ernstig democratisch tekort vertoont. Als men die solidariteit op het federale niveau in België wil behouden, moet men de federale instellingen hervormen. Dit betekent het afbouwen en afschaffen van de grendelmechanismen en het creëren van een politieke ruimte door het instellen van een federale kieskring. Indien men dit onhaalbaar acht, kan ook geopteerd worden voor het verder overdragen van bevoegdheden naar de regio's. Ook dat moet echter gepaard gaan met de ontwikkeling van een sterke vorm van interregionale solidariteit binnen België en in de toekomst ook binnen de Europese Unie.

Laat ons even een blik op de toekomst werpen. Hoe denken jullie dat de situatie er in 2030 zal uitzien: een onafhankelijke republiek Vlaanderen zonder overkoepelend Belgisch niveau, een Belgische Unie met drie of vier deelstaten, of een status quo van de huidige staatsvorm met eventueel wel een verdergaande defederalisering van bevoegdheden?

Vande Lanotte: Ik denk dat het door mij geponeerde concept van een Belgische Unie met vier deelstaten het meest realistische is, maar dit veronderstelt wel dat we ons politiek bestel op het Unie-niveau moeten aanpassen. Als men het Unie-niveau wil behouden, zal men het ernstig moeten nemen en het niet blijven beschouwen als een samenvoeging van deelniveaus. Dit Unie-niveau is een niveau op zich, waarbij een meerderheid op de totaliteit en niet in de verschillende entiteiten moet behaald worden voor beslissingen. Veel zal uiteraard afhangen van het al dan niet goed beheer van dit niveau. Als de volgende federale regeringen stabieler zijn en het goed doen, dan is een dergelijke Unie mogelijk. Is dit niet het geval, dan gaat de vraag naar onafhankelijkheid of zeer verregaande autonomie steeds groter worden.

Sottiaux: Ik geloof ook in het model van de federale unie als tussenvorm tussen enerzijds een confederatie of onafhankelijkheid en anderzijds de huidige federale staat. Wat de bevoegdheden van deze federale unie zouden zijn, zal in grote mate afhankelijk zijn van de Europese evoluties, namelijk welke bevoegdheden naar het Europese niveau zullen gaan. Dit valt niet te voorspellen. Als we echter deze fundamentele hervorming maken, moet de burger hier zeker op een meer rechtstreekse manier bij betrokken worden dan vandaag het geval is. Als voorbeeld kan men kijken naar de referenda in Schotland en Catalonië. Dergelijke rechtstreekse inspraak is noodzakelijk, opdat de hervorming gedragen wordt door de burgers en een stabiel systeem tot stand brengt. Ik denk dat een sterke democratische legitimiteit als draagvlak voor dergelijke hervorming noodzakelijk is.

Print Friendly, PDF & Email
Share on Social Media

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *