BelConLawBlog publishes a selected reading list of (I) new scholarship on Belgian constitutional law in journals and books, (II) decisions of the Belgian Constitutional Court, (III) upcoming conferences, and (IV) calls for papers. In order to submit relevant developments for our monthly overview, please contact us.

This overview was composed by Marie DeCock (student assistant, UGent).

 

I. Scholarship

A. Journals

  • De Juristenkrant, no. 343 (8 February 2017)

F. SCHUERMANS, “Verdachte moet beroep krijgen tegen inzageweigering bij opsporingsonderzoek”, 1

B. NELISSEN, “Raad van State weigert Thiéry burgemeesterssjerp Linkebeek”, 2

T. VANDROMME, “Heffing op krotwoningen grotendeels naar gemeenten overgeheveld”, 5

E. BREWAEYS, “Opletten met vermelding van ondernemingsregister in dagvaarding”, 6

T. ROES, “Touwtrekken met Trump: verzet in alle staten”, 11

J. VANANROYE, “Poolse regering muilkorft Grondwettelijk Hof”, 12

 

  • De Juristenkrant, no. 344 (22 February 2017)

E. BREWAEYS, “Grondwettelijk Hof vernietigt nieuwe regeling rolrechten”, 1

M. GEUENS, “Europees Hof fluit Europese Commissie terug over Europees burgerinitiatief”, 4

R. VASSEUR, “Grondwettelijk Hof en feitelijke samenwoonst: een moeilijk huwelijk”, 5

 

  • Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht, 2017, no. 1

A. COOLSAET, “Het optreden van inwoners namens de gemeente of de provincie bij stilzitten van het bestuur: zegen of kwelling?”, 4-18

 

B. Books

  • M. ELST, J. VAN NIEUWENHOVE, De zelfinrichtingsbevoegdheden van de deelstaten, Brugge, Die Keure, 2017, 219 p.

 

II. Decisions of the Belgian Constitutional Court

A. Violation of the Constitution / interpretation in accordance with the Constitution  

The Belgian Constitutional Court:

  • oordeelt dat artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek de grondwet schendt, doch enkel in  zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de zaak die heeft gediend om een misdaad of een wanbedrijf te plegen, wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat ze een schending van het eigendomsrecht inhoudt;

    rules that Article 43, paragraph 1, of the Criminal Code violates the Constitution, but only to the extent that it requires the judge to pronounce the forfeiture of the object that has served to commit a crime or a misdemeanour, when that punishment so affects the financial situation of the person to whom it is imposed that it holds a violation of the property right (9 February 2017, no. 12/2017);

 

  • vernietigt  de  artikelen 3, 4, 5 en 6, die wijzigingen aanbrengen aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, van de wet van 28 april 2015 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen

    annuls Articles 3, 4, 5 and 6, that make changes to the Code of Registration fees, Mortgage fees and Court fees, of the Act of 28 April 2015 amending the Code of Registration fees, Mortgage fees and Court fees in order to reform the court fees (9 February 2017, no. 13/2017);

 

  • oordeelt dat, in de interpretatie dat in geval van een overlijden van een persoon in een ander gewest dan waar hij gedomicilieerd is het ereloon en de kosten van de door een ambtenaar van de burgerlijke stand aangestelde beëdigde geneesheer niet ten laste vallen van het gemeentebestuur van de gemeente van het Vlaamse Gewest waar de overledene in het bevolkingsregister, het vreemdelingenregister of het wachtregister is ingeschreven, de artikelen 21, § 1, derde lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging en artikel 22, § 1, derde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, zoals van toepassing in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, de grondwet schenden;

    in de interpretatie dat in geval van een overlijden van een persoon in een ander gewest dan waar hij gedomicilieerd is het ereloon en de kosten van de door een ambtenaar van de burgerlijke stand aangestelde beëdigde geneesheer ook ten laste vallen van het gemeentebestuur van de gemeente van het Vlaamse Gewest waar de overledene in het bevolkingsregister, het vreemdelingenregister of het wachtregister is ingeschreven, zijn artikel 21, § 1, derde lid, en 30 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging en artikel 22, § 1, derde lid, van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, zoals van toepassing in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, grondwetsconform;

    rules that, in the interpretation that in the event of a death of a person in another region than the region where he is domiciled the fees and the costs of the sworn doctor appointed by a Registrar do not fall as a burden to the Municipal Council of the municipality of the Flemish region where the deceased is registered in the population register, the aliens’ register or the waiting register, the Articles 21, § 1, paragraph 3, of the Decree of the Flemish Region of 16 January 2004 on the cemeteries and funeral services and Article 22, § 1, paragraph 3, of the Act of 20 July 1971 on the cemeteries and funeral services, as applicable in the Brussels Capital Region, are unconstitutional;

    in the interpretation that, in the event of a death of a person in another region than where he is domiciled the fees and the cost of the sworn doctor appointed by a Registrar are also falling as a burden to the Municipal Council of the municipality of the Flemish region where the deceased is registered in the population register, the aliens' register or the waiting register, the Articles 21, § 1, paragraph 3, and 30 of the Decree of the Flemish Region of 16 January 2004 on the cemeteries and funeral services and Article 22, § 1, paragraph 3, of the Act of 20 July 1971 on the cemeteries and funeral services, as applicable in the Brussels Capital Region, are in accordance with the Constitution (9 February 2017, no. 14/2017);

 

  • beschouwt artikel 56ter, § 5, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals vervangen bij artikel 50 van de wet van 19 december 2008 houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg, zoals van toepassing op de opnames die worden beëindigd vóór 1 januari 2009, als ongrondwettig, in zoverre het erin voorziet dat de daadwerkelijk terug te betalen bedragen gelijk zijn aan het verschil tussen de werkelijke uitgaven van de geselecteerde ziekenhuizen en de nationale mediaanuitgave, wanneer die laatste gelijk is aan nul;

    considers Article 56ter, § 5, of the Act on compulsory insurance for health care and benefits, consolidated on 14 July 1994, as replaced by Article 50 of the Act of 19 December 2008 concerning various provisions on health care, as it applies to the hospitalizations that are terminated before 1 January 2009, as unconstitutional, to the extent that it provides that the actually amounts that need to be payed back are equal to the difference between the actual expenses of the selected hospitals and the national median expenses, when the latter is equal to zero (9 February 2017, no. 15/2017);

 

  • stelt dat artikel 33, derde lid, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties ongrondwettig is, in de interpretatie dat het een onweerlegbaar vermoeden van toerekenbaarheid invoert ten laste van de houder van de kentekenplaat van het voertuig waarmee de overtreding werd gepleegd;

    dezelfde bepaling is grondwetsconform in de interpretatie dat ze een weerlegbaar vermoeden van toerekenbaarheid invoert ten laste van de houder van de kentekenplaat;

    states that Article 33, paragraph 3, of the Act of 24 June 2013 on the municipal administrative sanctions is unconstitutional, in the interpretation that it inserts an irrefutable presumption of accountability at the expense of the holder of the registration plate of the vehicle with which the offence was committed;

    the same provision is in accordance with the Constitution in the interpretation that it inserts a refutable presumption of accountability at the expense of the holder of the registration plate (9 February 2017, no. 16/2017);

 

  • vernietigt artikel 82 van de programmawet van 10 augustus 2015 in zoverre het geen betrekking heeft op de jaarrekeningen met betrekking tot het boekjaar verbonden aan het aanslagjaar 2012 wanneer de belaste reserves van dat aanslagjaar, gelet op de datum van de algemene vergadering, niet in aanmerking kwamen voor de regeling van de “interne liquidatie”;

    annuls Article 82 of the Programme Act of 10 August 2015 to the extent that it does not concern the annual accounts concerning the accounting year connected to the tax year 2012 when taxed reserves of that tax year, regarding to the date of the general meeting, are not eligible for the settlement of the "internal liquidation" (16 February 2017, no. 20/2017);

 

  • oordeelt dat artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek ongrondwettig is in zoverre het de door een arbitrale uitspraak benadeelde derden uitsluit van het voordeel van het derdenverzet;

    artikel 1717 van het Gerechtelijk Wetboek is grondwetsconform in die interpretatie dat het de door een arbitrale uitspraak benadeelde derden enkel in geval van bedrog toelaat een beroep tot vernietiging van die beslissing in te stellen;

    states that Article 1122 of the Judicial Code is unconstitutional insofar it excludes third parties injured by an arbitration decision of the advantage of third-party proceedings;

    article 1717 of the Judicial Code is in accordance with the Constitution in the interpretation that it only admits an action for annulment of that decision for the third parties injured by an arbitration decision in the case of fraud  (16 February 2017, no. 21/2017);

 

  • beschouwt artikel 325/7, § 1, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek als ongrondwettig in zoverre de daarin bepaalde vervaltermijn voor de vrouw die het meemoederschap opeist, kan aanvangen vooraleer de betwiste erkenning plaatsvindt;

    holds Article 325/7, § 1, paragraph 5, of the Civil Code as unconstitutional to the extent that the limitation period for the woman who claims the meemoederschap can start before the disputed recognition takes place (16 February 2017, no. 24/2017);

 

  • oordeelt dat artikel 343, § 1, b), van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 162 en 164 van hetzelfde Wetboek, in zoverre het de gewone adoptie van de kinderen van de ene wettelijk samenwonende partner door de andere wettelijk samenwonende partner niet toelaat wanneer er tussen hen sprake is van een huwelijksbeletsel waarvoor de Koning geen ontheffing kan verlenen als gevolg van de volle adoptie van een van de wettelijk samenwonende partners door de ouders van de andere partner, ongrondwettig is;

    rules that Article 343, § 1, b), of the Civil Code, read in conjunction with Articles 162 and 164 of the same code, insofar that it doesnt permit the ordinary adoption of children from an unmarried legal partner by the other legal partner when there is a matrimonial impediment between them for which the King cant grant an exemption due to the full adoption of one of the legally cohabiting partners by the parents of the other partner, is unconstitutional (16 February 2017, no. 25/2017);

 

  • stelt dat artikel I.3, 69°, g), van de Codex Hoger Onderwijs, gecoördineerd bij besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 tot codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs, in samenhang gelezen met artikel II.285 van die Codex, de grondwet schendt, in zoverre het niet voorziet in een beroepsmogelijkheid bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen ten behoeve van (kandidaat-)studenten die zijn ingeschreven met een credit- of examencontract;

    states that Article I.3, 69°, g) of the Codex Higher Education, coordinated by a decision of the Flemish Government of 11 October 2013 regarding the codification of the decree provisions concerning higher education, read in conjunction with Article II.285 of the same Codex, violates the Constitution, insofar it does not provide an appeal at the Council for disputes about decisions on study progress for (candidate) students who are registered with a credit contract or an exam contract (16 February 2017, no. 26/2017);
     

  • oordeelt dat artikel 42quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals het van toepassing was vóór de wijziging van artikel 13, § 1, van dezelfde wet bij artikel 13 van de wet van 4 mei 2016 “houdende diverse bepalingen inzake asiel en migratie en tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen”, ongrondwettig is in zoverre de minister of zijn gemachtigde binnen vijf jaar na de erkenning van het verblijfsrecht een einde kan maken aan het verblijfsrecht van de echtgenoot van een Belg of van een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie wanneer het huwelijk wordt ontbonden en die vreemdeling, in de loop van het vierde of het vijfde jaar van die periode, niet voldoet aan de bij artikel 42quater, § 4, in fine bepaalde voorwaarde;

    rules that Article 42quater of the Act of 15 December 1980 on the access to the territory, the residence, the establishment and the expulsion of foreigners, as it applied before the amendment of Article 13, § 1, of the same act by Article 13 of the Act of 4 May 2016 "containing various provisions on asylum and migration and amending the Act of 15 December 1980 on access to the territory, the residence, the establishment and the expulsion of foreigners and the Act of 12 January 2007 on the shelter of asylum seekers and certain other categories of aliens", is unconstitutional insofar that the Minister or his authorized representative within five years after the recognition of the right of residence can put an end to the right of residence of the spouse of a Belgian national or a national of a Member State of the European Union when the marriage is dissolved and that alien, in the course of the fourth or the fifth year of that period, does not fulfil the condition of Article 42quater, § 4, in fine (23 February 2017, no. 28/2017);

 

  • beschouwt artikel 2 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten als ongrondwettig in de interpretatie dat de Orde van architecten niet in rechte kan treden in geval van inbreuken op de wetten en reglementen tot bescherming van de titel en van het beroep van architect;

    artikel 2 van de wet van 26 juni 1963 tot instelling van een Orde van architecten is grondwetsconform in de interpretatie dat de Orde van architecten in rechte kan treden in geval van inbreuken op de wetten en reglementen tot bescherming van de titel en van het beroep van architect;

    holds Article 2 of the Act of 26 June 1963 establishing an Order of Architects as unconstitutional in the interpretation that the Order of Architects can engage in legal proceedings in case of infringements of the laws and regulations for the protection of the title and of the profession of architect;

    article 2 of the Act of 26 June 1963 establishing an Order of Architects is in accordance with the Constitution in the interpretation that the Order of Architects may engage in legal proceedings in case of infringements of the laws and regulations for the protection of the title and of the profession of architect (23 February 2017, no. 31/2017).

 

B. No violation of the Constitution

The Belgian Constitutional Court:

  • oordeelt dat artikel 39 van het Vlaamse decreet van 21 juni 2013 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, dat inhoudt dat artikel 14, vierde lid, van hetzelfde decreet zo wordt uitgelegd dat de uitgekeerde tegemoetkoming slaat op alle tegemoetkomingen die het agentschap heeft verleend voor de persoon met een handicap, grondwetsconform is;

    rules that Article 39 of the Flemish Decree of 21 June 2013 concerning various provisions regarding the policy area of Welfare, Public Health and Family, according to which the meaning of Article 14, paragraph 4, of the same Decree is that the paid compensation regards all the reimbursements that the Agency has granted for the person with a disability, is in accordance with the Constitution (16 February 2017, no. 22/2017);

 

  • stelt dat de artikelen 568 (de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg), 602 (de bevoegdheid van het hof van beroep), 608 (de bevoegdheid van het hof van cassatie), 1050 (algemene bepaling over het hoger beroep) en 1073 (de termijn voor voorziening in cassatie) van het Gerechtelijk Wetboek grondwetsconform zijn;

    holds that the Articles 568 (the competence of the Court of First Instance), 602 (the competence of the Court of Appeal), 608 (the competence of the Court of Cassation), 1050 (general provision on the appeal) and 1073 (the term for appeal) of the Judicial Code are in accordance with the Constitution (23 February 2017, no. 29/2017).

III. Upcoming conferences

Workshop: 'De bevoegdheden van de gemeenschappen'           
Friday 24 March 2017, Senate (Brussels)           
More information and registration

Print Friendly, PDF & Email
Share on Social Media

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *