See English version below.

Laurens Dumoulin, Rutger Goeminne en Karen Van Esbroeck (masterstudenten rechten UGent), Jurgen Goossens (doctoraal onderzoeker, UGent) en Pieter Cannoot (assistent, UGent)

In het kader van de zesde staatshervorming heeft de institutionele wetgever de Senaat omgevormd tot een volwaardige deelstatenkamer. Deze hervorming heeft de bevoegdheden van de Senaat aanzienlijk ingeperkt met als logisch gevolg dat de Kamer van volksvertegenwoordigers nu een ruimer bevoegdheidspakket heeft. De Kamer is sinds de inwerkingtreding van de zesde staatshervorming exclusief bevoegd voor de meeste federale wetgeving en staat in voor de residuaire wetgevende bevoegdheden. Ter compensatie van de uitbreiding van de monocamerale procedure, kan de Kamer nu zelf een reflectie- en controlefunctie uitoefenen door middel van een tweede lezing van voorgestelde wetgeving.

Om tegemoet te komen aan de mogelijke negatieve gevolgen van de uitbreiding van de monocamerale procedure en voornamelijk het risico dat wetsvoorstellen- en ontwerpen overhaast worden aangenomen, heeft de grondwetsherziening van 6 januari 2014 artikel 76 van de Grondwet aangepast. Dit artikel bepaalt nu dat het reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers moet voorzien in een procedure voor een tweede lezing. Deze grondige, tweede bespreking maakt het mogelijk dat de artikelsgewijze bespreking en stemming van een wetsvoorstel of -ontwerp geheel of gedeeltelijk wordt overgedaan. De tweede lezing kan zowel plaatsvinden in de commissie als in de plenaire vergadering.

Voor de tweede lezing in de plenaire vergadering vereist het nieuwe artikel 94, nr. 1 van het Kamerreglement een verzoek van de Kamervoorzitter of van een derde van de leden. Dit is een verstrenging van de vroegere regeling inzake de tweede lezing die ook voorheen reeds kon worden aangevraagd, aangezien het vóór de zesde staatshervorming in de praktijk volstond dat één lid de tweede lezing vroeg. Er is evenwel ook een versoepeling van de regels, want het is niet langer nodig dat amendementen worden aangenomen om over te kunnen gaan tot een tweede lezing. Wanneer de vereiste meerderheid bereikt is, kan dus een tweede lezing plaatsvinden over een niet geamendeerd wetsinitiatief. De plenaire vergadering beslist tijdens de tweede lezing op verslag van de bevoegde commissie. Dat wil dus zeggen dat de tekst van het wetsontwerp of -voorstel steeds wordt teruggezonden naar de bevoegde commissie en daar wordt besproken. De plenaire vergadering kan op in de eerste lezing aangenomen artikelen of op de door de commissie aangenomen tekst amendementen indienen.

Voor de tweede lezing in de commissie zijn de voorwaarden soepeler dan in de plenaire vergadering. Het kamerreglement bepaalt dat een verzoek kan worden ingediend door één commissielid of, als het een door de Senaat naar de Kamer teruggezonden wetsontwerp betreft, een derde van de commissieleden. Indien een commissielid na de stemming van de artikelen om een tweede lezing verzoekt, moet de commissie daartoe overgaan, zelfs indien geen amendementen werden aangenomen of artikelen werden verworpen. Voor de tweede lezing in de commissie is voorzien in een ‘cooling off-periode’ van tien dagen (artikel 83, nr. 1 van het Kamerreglement). Deze periode houdt in dat een tweede lezing ten vroegste plaatsvindt tien dagen nadat het commissieverslag en de door de commissie aangenomen tekst werden rondgedeeld. Die cooling off-periode is niet voorzien voor de tweede lezing in de plenaire zitting.

Tweede lezing in de praktijk

Tot hiertoe is de tweede lezing reeds vijf maal gebruikt. Een eerste maal inzake het wetsontwerp voor de vaststelling van de afstamming van de meemoeder en de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde. Hierna werd nog een tweede lezing aangevraagd voor het wetsontwerp tot hervorming van de griffierechten, het wetsontwerp houdende bepalingen betreffende de pensioenen van de publieke sector, het wetsontwerp tot verbetering van de werkgelegenheid (indexsprong) en recentelijk het wetsontwerp houdende bepalingen inzake de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie. Twee zaken vallen bij al deze gevallen op. De tweede lezing werd telkens aangevraagd door een lid van de oppositie en voorlopig vond de tweede lezing telkens plaats in de bevoegde commissie.

De tweede lezing zou dus door de oppositie gebruikt kunnen worden als drukkingsmiddel om toegevingen te verkrijgen in bepaalde dossiers. De wetgevingsprocedure kan immers een aanzienlijke vertraging oplopen door de tweede lezing. De nieuwe regeling vergroot bovendien de macht van de oppositie, aangezien elk oppositielid in de commissie de tweede lezing kan verzoeken, zelfs wanneer de tekst niet werd geamendeerd. De kans op politieke spelletjes is dus reëel.

Om hieraan tegemoet te komen, kan de regering urgentie vragen. In geval van urgentie wordt de termijn van tien dagen cooling-off periode bij de tweede lezing in de commissie verkort tot een termijn van vijf dagen.

Meningen uit het halfrond

In het kader van dit blogbericht waren enkele Kamerleden bereid een korte evaluatie te geven aangaande het nut en de efficiëntie van de tweede lezing in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Professor grondwettelijk recht Hendrik Vuye, tevens fractievoorzitter in de Kamer voor N-VA, stelt dat een tweede lezing op het eerste gezicht wenselijk lijkt om de kwaliteit van de wetgeving te verbeteren, maar persoonlijk twijfelt hij of een tweede lezing een nuttige manier is om tot betere wetgeving te komen. Er zijn immers al de adviezen van de Raad van State en van de juridische diensten van de Kamer die bijdragen tot de kwaliteit van de wetgeving. De tweede lezing wordt volgens hem dan ook te vaak van haar doel afgewend en gebruikt als middel om oppositie te voeren.

Egbert Lachaert, volksvertegenwoordiger voor Open Vld en tevens lid van de meerderheid deelt de mening dat de tweede lezing vandaag gebruikt wordt als vertragingsmanoeuvre en niet om een nieuw debat te voeren, aangezien de timing tussen eerste en tweede lezing hiervoor te klein is. Hij duidt er ook op dat sinds de invoering van de tweede lezing er nog maar weinig wetsontwerpen de revue zijn gepasseerd, wat zou kunnen verklaren dat er nog maar een beperkt aantal tweede lezingen zijn geweest.

Bij dat laatste sluit ook Wouter De Vriendt, volksvertegenwoordiger voor oppositiepartij Groen, zich aan. Conclusies trekken, is volgens hem dan ook te vroeg. Hij vindt dat de tweede lezing niet systematisch moet gebeuren. Hij beschouwt de tweede lezing wel als een nuttig instrument om de coherentie te bewaken, vooral bij zeer technische teksten en/of teksten die sterk geamendeerd worden. Ook indien de goedkeuring van een wettekst vele praktische vragen oproept, kan de tweede lezing zijn nut bewijzen.

Derde lezing

Naast de tweede lezing is er in het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers ook de mogelijkheid voorzien om een derde lezing te houden. Het kamerreglement heeft deze mogelijkheid enkel voorbehouden voor de plenaire vergadering en niet voor de commissie. Alvorens de Kamerleden tot een derde lezing kunnen overgaan, is er vanzelfsprekend eerst een tweede lezing nodig. Indien de Kamer hierbij amendementen aanneemt, kan zij beslissen dat hierover een derde lezing zal plaatsvinden. De stemming over het gehele wetsontwerp of wetsvoorstel zal dan naar een latere vergadering worden verdaagd.

Kritisch besluit

De zesde staatshervorming heeft de tweede lezing in de Kamer ingevoerd als een compensatie voor het beëindigen van de rol die de Senaat vervulde als reflectiekamer en de tweede lezing die hij geregeld verrichtte. Hoewel de tweede lezing in de Kamer in principe de kwaliteit van de wetgeving beoogt te bevorderen, blijkt uit de analyse van de hierboven genoemde parlementsleden dat de tweede lezing in de praktijk geen volwaardige vervanging is van de vroegere verplichte of optionele bicamerale procedure. Ze wordt immers – voorlopig althans – slechts sporadisch toegepast en wordt voornamelijk door de oppositie gebruikt als een middel om de wetgevingsprocedure te vertragen. Ons inziens zou een tweede lezing in sommige monocamerale materies best opnieuw verplicht worden om de kwaliteit van de wetgeving te waarborgen.

Beknopte literatuurlijst

1) A. Rezsohazy en M. Van Der Hulst, “Parlementair recht. De verdeling van de wetgevende bevoegdheid tussen Kamer en Senaat na de zesde Staatshervorming”, TvW 2014, nr.1, 40- 57.;

2) G. Van Der Biesen, “De nieuwe wetgevingsprocedure in A. Alen, B. Dalle, K. Muylle, W. Pas, J. Van Nieuwenhove en W. Verrijdt  (eds.), Het federale België na de zesde staatshervorming, Brugge, die Keure, 2014, (125) 139.

3) G. Van Der Biesen, “Parlementair recht. De zesde staatshervorming en de kwaliteit van de wet (deel 2)”, TvW 2014, nr.2, 126-135.

 

Print Friendly, PDF & Email
Share on Social Media

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *