Belgian Constitutional Law BlogRechtsleer van de Universiteit Gent sinds 2014
EN NL
Maandoverzicht

Maandoverzicht – december 2016 en januari 2017

Overzicht dec. 2016–jan. 2017: rechtsleer, arresten van het Grondwettelijk Hof over afstammingstermijnen en inzage in het strafdossier, en conferenties.

Vertaald uit het Engels. De oorspronkelijke tekst is de authentieke versie. Lees het origineel.

Kernpunten

Dit overzicht vermeldt artikelen uit De Juristenkrant, het Nieuw Juridisch Weekblad, de Revue belge de droit constitutionnel en TBP van december 2016 en januari 2017, onder meer over een Vlaamse constitutionele cultuur. Het vat de arresten 154/2016 tot 11/2017 van het Grondwettelijk Hof samen, kondigt twee activiteiten in februari en maart 2017 aan en vermeldt twee doctoraatsvacatures.

BelConLawBlog publiceert een selectieve leeslijst met (I) nieuwe rechtsleer over Belgisch grondwettelijk recht in tijdschriften en boeken, (II) arresten van het Grondwettelijk Hof, (III) komende conferenties en (IV) calls for papers. Wilt u relevante ontwikkelingen voor ons maandoverzicht aanreiken, neem dan contact met ons op.

I. Rechtsleer

A. Tijdschriften

  • De Juristenkrant, no. 339 (7 December 2016)

I. VAN HIEL, “Pool voor dokwerkers schendt vrijheid van vakvereniging niet”, 5

R. BOONE, “Jan Nolf zet alles nog eens op een rijtje”, 7

P. PECINOVSKY, “Minimumdienst bij De Lijn”, 16

  • De Juristenkrant, no. 340 (21 December 2016)

J. RIEMSLAGH, “Derde keer, goede keer voor de bestuurlijke lus”, 3

J. GOOSSENS, “Vlaams Parlement optimaliseert rechtspleging van bestuursrechtscolleges”, 4

P. DE SMEDT, “EU-Hof zet deur open voor beoordelingsplicht milieueffecten van wetgeving”, 6

P. BEKAERT, “Het vuur van de brandstapel smeult”, 10-11

F. DORSSEMONT, “Staken bij de NMBS: een kwestie van syndicaal favoritisme?”, 12

  • De Juristenkrant, no. 341 (11 January 2017)

S. ROYER en C. CONINGS, “Ook hervormde dataretentiewet staat onder druk”, 1

C. VAN VYVE, “Dubbele bestraffing voor zelfde fiscale feiten schendt non bis in idem niet”, 3

C. DANIELS, “Immuniteit voor diplomaten geldt ook bij huurgeschillen”, 4

R. VASSEUR, “Grondwettelijk Hof kent rechter geen rol toe bij naamkeuze”, 5

R. BOONE, “Magistratuur en advocatuur blijven verdeeld over religieuze hoofddeksels in de rechtszaal”, 8-9

  • De Juristenkrant, no. 342 (25 January 2017)

T. VANDROMME, “Brusselse leegstandboete doorstaat opnieuw grondwettigheidstoets”, 4

I. VAN HIEL, “Grondwettelijk Hof verwerpt beroepen tegen indexsprong en loonnorm”, 5

E. BREWAEYS, “Grondwettelijk Hof garandeert geen recht op tweede aanleg”, 7, 16

  • Nieuw Juridisch Weekblad, no. 349

S. SOTTIAUX, “Pleidooi voor een Vlaamse constitutionele cultuur”, 702-706

G. BOURGEOIS, “Constitutionele agenda voor Vlaanderen”, 707-711

  • Revue belge de droit constitutionnel, no. 2

F. DELPEREE, “L’ordre ! Considérations sur quelques articles de la constitution “, 117-127

  • Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht, 2016-17, no. 10

S. DE SOMER, “Politieke sturing inzake de tariefmethodologie opgesteld door energieregulatoren: hoeveel ruimte laat het EU-recht?”, 496-502

M. LELOUP, “De betogingsvrijheid en de vrijwaring van de openbare orde: een analyse van de Europese en de Belgische rechtspraak”, 560-578

II. Arresten van het Grondwettelijk Hof

A. Schending van de Grondwet / grondwetsconforme interpretatie

Het Grondwettelijk Hof

  • oordeelt dat artikel 23duodecies, §§ 4 en 6, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 juli 2003 houdende de Brusselse Huisvestingscode, zoals het op 24 december 2012 van kracht was, in overeenstemming is met de grondwet in zoverre het aan de rechtbank, die uitspraak doet in hoger beroep, niet de mogelijkheid biedt verzachtende omstandigheden aan te nemen en de administratieve geldboete te verminderen;

    (14 december 2016, nr. 159/2016);

  • stelt dat artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek de grondwet schendt, in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de persoon die het heeft erkend niet zijn vader is om een vordering tot betwisting van de vaderlijke erkenning in te stellen;

    (14 december 2016, nr. 161/2016);

  • beschouwt artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek grondwetsconform, in zoverre het in geen enkele toetsing van het belang van het kind bij de naamgeving voorziet;

    (14 december 2016, nr. 162/2016);

  • oordeelt dat artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de grondwet schendt, in de interpretatie dat bij het onderzoek of het perceel de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve ruimtelijk uitvoeringsplan stedenbouwkundig in aanmerking komt voor bebouwing, ook rekening wordt gehouden met het stedenbouwkundig beleid, zoals dat blijkt uit de structuurplannen en uit het vergunningenbeleid van het bestuur;

    (22 december 2016, nr. 164/2016);

  • beschouwt artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek als grondwetsconform in zoverre het tot gevolg heeft dat een wet die het bedrag van de aanleg wijzigt, onmiddellijk van toepassing is op de vonnissen die na de datum van inwerkingtreding van die wet door een vrederechter zijn gewezen, zonder dat rekening wordt gehouden met de datum van het inleiden van de zaak voor de eerste rechter of met de datum van het instellen van de vorderingen die voor hem zijn geformuleerd en die bepalend zijn voor de berekening van dat bedrag;

    (22 december 2016, nr. 166/2016);

  • oordeelt dat artikel 572bis, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat de familierechtbank, onverminderd de bijzondere bevoegdheden die zijn toegekend aan de vrederechter en de bijzondere wetgevingen, kennis neemt van vorderingen tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden betreffende de uitoefening van hun rechten of betreffende hun goederen, alsook de voorlopige maatregelen die daarop betrekking hebben, grondwetsconform is in zoverre het de feitelijk samenwonenden uitsluit van het toepassingsgebied ervan;

    (19 januari 2017, nr. 1/2017);

  • beschouwt artikel 21bis van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 24 van de wet van 27 december 2012 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, als ongrondwettig in zoverre het niet voorziet in een beroep bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter tegen de weigering of de ontstentenis van een beslissing door het openbaar ministerie ten aanzien van een door een verdachte geformuleerd verzoek om toegang tot een dossier in het opsporingsonderzoek;

    (25 januari 2017, nr. 6/2017);

  • oordeelt dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het de Franse Gemeenschap, handelend in haar hoedanigheid van subsidiërende overheid overeenkomstig de artikelen 25 tot 29 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, niet de mogelijkheid biedt de terugbetaling te verkrijgen van de bezoldiging en de daarop geheven lasten betaald aan een personeelslid van een gesubsidieerde onderwijsinstelling tijdens diens afwezigheden ingevolge een ongeval, ten laste van de daarvoor aansprakelijke derde, ongrondwettig is;

    in die zin geïnterpreteerd dat zij de Franse Gemeenschap, handelend in haar hoedanigheid van subsidiërende overheid overeenkomstig de artikelen 25 tot 29 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, de mogelijkheid biedt de terugbetaling te verkrijgen van de bezoldiging en de daarop geheven lasten betaald aan een personeelslid van een gesubsidieerde onderwijsinstelling tijdens diens afwezigheden ingevolge een ongeval, ten laste van de daarvoor aansprakelijke derde, is dezelfde bepaling grondwetsconform;

    (25 januari 2017, nr. 7/2017);

  • oordeelt dat de artikelen 827, 1017 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in de interpretatie volgens welke artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op het geval van afstand van geding, grondwetsconform zijn;

    (25 januari 2017, nr. 8/2017).

B. Geen schending van de Grondwet

Het Grondwettelijk Hof

  • oordeelt dat artikel 74, § 3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen, dat inhoudt dat in de gevallen waarin het Instituut opdrachten als lasthebber van een Gemeenschap of een Gewest heeft uitgevoerd, die opdrachten en de daarbij horende goederen, rechten en verplichtingen worden overgedragen aan de respectieve lastgevers, op een datum overeen te komen tussen het Instituut en elke betrokken lastgever, artikel 175 van de Grondwet niet schendt;

    (1 december 2016, nr. 154/2016);

  • beschouwt artikel 7 van de wet van 16 maart 2000 “betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden”, zoals het is vervangen bij artikel 13 van de wet van 10 januari 2010 “tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel”, als grondwetsconform;

    (8 december 2016, nr. 156/2016);

  • beschouwt artikel 2 van de wet van 7 mei 2009 “houdende instemming met en uitvoering van het Avenant, ondertekend te Brussel op 12 december 2008, bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 en gewijzigd door de Avenanten van 15 februari 1971 en 8 februari 1999” als grondwetsconform;

    (8 december 2016, nr. 157/2016);

  • oordeelt dat artikel III.26, § 2, van het Wetboek van Economisch Recht, dat stelt dat “indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, tegenvordering of vordering tot tussenkomst, ingediend bij verzoekschrift, bij conclusie of deurwaardersexploot, gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen”, grondwetsconform is;

    (14 december 2016, nr. 160/2016);

  • oordeelt dat artikel 4, § 3, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 “betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen” grondwetsconform is;

    (22 december 2016, nr. 165/2016);

  • beschouwt artikel 38, § 6, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, dat handelt over het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig, gecoördineerd op 16 maart 1968, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 9 maart 2014, als grondwetsconform;

    (22 december 2016, nr. 168/2016);

  • oordeelt dat artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen dat betrekking heeft op het rustpensioen in overeenstemming is met de Grondwet;

    (19 januari 2017, nr. 2/2017);

  • stelt dat Artikel 1253ter/5, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat de feitelijk samenwonenden uitsluit van het recht om het genot van de echtelijke of de gemeenschappelijke verblijfplaats te vorderen, grondwetsconform is;

    (19 januari 2017, nr. 4/2017);

  • oordeelt dat Artikel 84ter van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde dat inhoudt dat de fiscale administratie de kennisgeving van de vermoedens van belastingontduiking slechts dient te verrichten voorafgaandelijk aan de vordering van de belasting in de aanvullende termijn van vier jaar, grondwetsconform is;

    (19 januari 2017, nr. 5/2017);

  • beschouwt artikel 7, § 14, vierde lid van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij artikel 114 van de programmawet van 2 augustus 2002, dat betrekking heeft op de wachttijdvoorwaarden voor de toekenning van het recht op uitkeringen, als grondwetsconform;

    (25 januari 2017, nr. 9/2017);

  • oordeelt dat artikel 95 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, dat betrekking heeft op de invordering van bijdragen, in overeenstemming is met de Grondwet;

    (25 januari 2017, nr. 10/2017);

  • beslist dat artikel 581, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat de arbeidsrechtbank bevoegd is om kennis te nemen van geschillen inzake de verplichting voor de vennootschappen tot het betalen van een bijdrage bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen, grondwetsconform is;

    (25 januari 2017, nr. 11/2017).

III. Komende conferenties

IV. Vacatures