BelConLawBlog publishes a selected reading list of (I) new scholarship on Belgian constitutional law in journals and books, (II) decisions of the Belgian Constitutional Court, (III) upcoming conferences, and (IV) calls for papers. In order to submit relevant developments for our monthly overview, please contact us.

This overview was composed by Marie DeCock (student assistant, UGent).

 

I. Scholarship

A. Journals

  • De Juristenkrant, no. 345 (8 March 2017)

H. LAMON, “Grondwettelijk Hof handhaaft btw op advocatendiensten”, 1 en 3.

G. GUEDENS, “Grondwettelijk Hof verduidelijkt aansprakelijkheid nummerplaathouder in GAS-wet”, 2.

D. VOORHOOF, “EHRM herbevestigt recht op (beperkte) internettoegang in de gevangenis”, 5.

J. VERNIMMEN en J. LIEVENS, “Voorrang voor Nederlandstaligen in Brussels onderwijs blijft overeind”, 6.

E. BREWAEYS, “De hoogste rechter voor de rechter”, 8.

 

  • De Juristenkrant, no. 346 (22 March 2017)

F. SCHUERMANS, “Spijtoptanten kunnen, ook zonder specifieke wettelijke regeling”, 2.

L. DE SMEDT, L. DYCKMANS en W. SMEETS, “‘Yesss! Gewonnen!’? Zaak over humanitaire visa terug naar af”, 3.

 

  • Rechtskundig Weekblad, 2016-17, no. 28

P. POPELIER, “De bekendmaking van de adviezen van de Raad van State in tien categorieën: over de bevoegdheid van de federale wetgever en de twijfels van de Raad van State, 1082-1089.

 

  • Rechtskundig Weekblad, 2016-17, no. 30

S. SOBRIE, “Grondwettelijk Hof vernietigt rolrechtenhervorming”, 1162.

M. VERVOORT, “Naar een nieuwe fiscale benadering van de publieke sector”, 1163-1179.

 

  • Tijdschrift voor Wetgeving, 2017, no. 1

J. DE JAEGERE, “Verwijzingen in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof naar de ex ante-wetsevaluatie door de Raad van State: wanneer en waarom?”, 19-30.

 

B. Books

  • R. ALBERT, X. CONTIADES, A. FOTIADOU (eds.), The Foundations and Traditions of Constitutional Amendment, Hart Publishing, 2017, 416 p.
     
  • B. SEUTIN, G. VAN HAEGENDOREN, J. BAERT, J. CLEMENT, L. DE GEYTER, M. ELST, G. LOOSVELDT, T. OPGENHAFFEN, J. PUT, B. STEEN, M. VAN DE PUTTE, G. VAN DER BIESEN, J. VAN NIEUWENHOVE, F. VANNESTE, S. VANSTEENKISTE en J. VELAERS, De bevoegdheden van de gemeenschappen, Brugge, Die Keure, 2017, 580 p.
     
  • A. DE BECKER, J. ACKAERT, E. AERTS, K. DECKERS en S. HENNAU, De samenwerking tussen de gemeenten en het OCMW vanuit juridisch en bestuurskundig oogpunt, Brugge, Die Keure, 2017, 118 p.

 

II. Decisions of the Belgian Constitutional Court

A. Violation of the Constitution / interpretation in accordance with the Constitution  

The Belgian Constitutional Court:

  • oordeelt dat, in zoverre het de strafrechter niet toestaat aan de beklaagde een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep toe te kennen ten laste van de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij die, bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie of van de beklaagde, hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis waarbij haar vordering onontvankelijk wordt verklaard nadat de beklaagde op de strafvordering werd veroordeeld, artikel 162bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering ongrondwettig is;

     

     

    rules that, to the extent that it does not allow the Criminal Court to grant the defendant  higher litigation costs in appeal that have to be borne by the unsuccessful civil party that, in the absence of any appeal of the public prosecutor or by the accused, inserted an appeal against a judgment which is declared inadmissible after the accused was convicted on the criminal procedure, Article 162bis, paragraph 2, of the Code of Criminal Procedure is unconstitutional (9 March 2017, no. 33/2017);
     

  • beschouwt de artikelen 165, § 3, en 167, tweede en zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek als ongrondwettig, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, in de interpretatie dat, wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand en in voorkomend geval de procureur des Konings tot uitstel van het huwelijk beslissen, de ambtenaar van de burgerlijke stand vervolgens weigert om het huwelijk te voltrekken en van die beslissing kennis wordt gegeven nadat de maximale termijn binnen dewelke het huwelijk moet worden voltrokken is verstreken, het beroep dat geldig tegen die beslissing wordt ingesteld als zonder voorwerp wordt beschouwd en geen verlenging van die termijn meer kan worden toegestaan;

     

     

    Dezelfde bepalingen zijn grondwetsconform, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, in de interpretatie dat, ingeval de ambtenaar van de burgerlijke stand en in voorkomend geval de procureur des Konings tot uitstel van het huwelijk beslissen, de maximale termijn voor het voltrekken van het huwelijk ambtshalve wordt verlengd tot de ambtenaar van de burgerlijke stand aanvaardt om het huwelijk te voltrekken of, indien hij dat weigert, tot de rechter bij wie geldig een beroep tegen die beslissing is ingesteld, zich uitspreekt over de vordering en in voorkomend geval over een verlenging van de voormelde termijn;

    considers the Articles 165, third paragraph, and 167, second and sixth paragraph, of the Civil Code as unconstitutional, read in conjunction with the right of access to the court, in the interpretation that, when the Registrar and, if applicable, the public prosecutor decide to postpone the marriage, the Registrar refuses to let the marriage take place and that decision is notified after the maximum period within the marriage must take place, has expired, the appeal that is valid against that decision is considered as devoid of purpose and no extension of that term can be allowed;

    The same provisions are in accordance with the Constitution, read in conjunction with the right of access to the court, in the interpretation that, in the event the Registrar and, if applicable, the public prosecutor decide to postpone the marriage, the maximum period to let the marriage take place is extended until the Registrar accepts to let the marriage take place or, if he refuses, until the judge with whom an appeal against that decision is set, decides about the claim and, if applicable, decides about an extension of the aforementioned term (16 March 2017, no. 35/2017);
     

  • beschouwt artikel 82, § 3, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, vóór de opheffing ervan bij artikel 50 van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen, als ongrondwettig, in zoverre het van toepassing is gebleven op de werkgevers die een bediende hebben ontslagen in de periode van 9 juli tot 31 december 2013;

     

     

    rules that Article 82, third paragraph, of the Act of 3 July 1978 on contracts of employment, before their removal by Article 50 of the Act of 26 December 2013 on the establishment of a common framework between workers and employees on the notice periods and the carenzdag and accompanying measures, as unconstitutional, in so far as it remained applicable on the employers who have fired an employee in the period from 9 July to 31 December 2013 (16 March 2017, no. 36/2017);
     

  • vernietigt artikel 11 van de wet van 10 juli 2016 “tot wijziging van de wet van 4 april 2014 tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen [enerzijds] en tot wijziging van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015 anderzijds”, doch enkel in zoverre het in geen overgangsregeling voorziet voor personen die vóór de inwerkingtreding van die wet de psychotherapeutische praktijk uitoefenden;

     

     

    annuls Article 11 of the Act of 10 July 2016 “amending the Act of 4 April 2014 regulating the mental healthcare professions and amending the Royal Decree No. 78 of 10 November 1967 on the exercise of the healthcare professions [on the one hand] and amending the Act on the exercise of the healthcare professions, coordinated on 10 May 2015, on the other hand”, but only to the extent that it does not provide a transitional arrangement for persons who exercised the psychotherapeutic practice before the entry into force of that Act (16 March 2017, no. 39/2017);
     

  • vernietigt artikel 2 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 22 december 1994 betreffende de onroerende voorheffing, in zoverre het toepassingsgebied ervan, door de gebouwen te beogen “die in eigendom of mede-eigendom [toebehoren] aan ofwel een Gemeenschap, een Gewest of een publiekrechtelijke persoon die onder een zodanige instelling ressorteert”, de schoolgebouwen omvat;

     

     

    annuls Article 2 of the Ordinance of the Brussels Capital Region of 22 December 1994 on the property tax, to the extent that its scope, by aiming at the buildings owned or co-owned by either a Community, a Region or a public person that falls within such an institution, includes the school buildings (22 March 2017, no. 40/2017);
     

  • stelt dat artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, in de versie die in 1994 en in 1995 van toepassing was, ongrondwettig is, in zoverre de minimumbezwaartermijn van zes maanden wordt berekend vanaf de datum van het aanslagbiljet;

     

     

    states that Article 371 of Income Tax Code, in the version that was applicable in 1994 and in 1995, is unconstitutional, in so far the minimal objection period of six months is calculated from the date of the tax assessment (22 March 2017, no. 41/2017);
     

  • oordeelt dat artikel 136, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ongrondwettig is in zoverre het de vergoeding van schade voortvloeiend uit het verlies van een kans, zoals bedoeld in de artikelen 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek, buiten beschouwing laat; 

     

     

    holds that Article 136, second paragraph, of the Act on the compulsory insurance for health care and benefits, consolidated on 14 July 1994, is unconstitutional to the extent that it disregards the compensation for damages resulting from the loss of an opportunity, as referred to in Articles 1382, 1383 and 1384 of the Civil Code (30 March 2017, no. 42/2017);
     

  • vernietigt de artikelen 91, 3°, en 92, 2°, van de wet van 26 oktober 2015 houdende wijziging van het Wetboek van economisch recht en houdende diverse andere wijzigingsbepalingen, maar slechts in zoverre zij aan de bestuurders en de zaakvoerders van een failliet verklaarde handelsvennootschap van wie het ontslag niet ten minste één jaar vóór de faillietverklaring in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, alsook aan iedere andere persoon die, zonder bestuurder of zaakvoerder te zijn, werkelijk bevoegd is geweest om de failliet verklaarde vennootschap te beheren, geen mogelijkheid toekennen om een rechter om eerherstel te verzoeken voor hun rol in het faillissement van de handelsvennootschap, zodat zij onherroepelijk worden uitgesloten van enige werkzaamheid in een verzekerings- of herverzekeringsonderneming of van het beroep van verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon;

     

     

    annuls the Articles 91, 3° and 92, 2°, of Act of 26 October 2015, amending the Code of Economic Law and holding various other amending provisions, but only in so far as it does not give any possibility to the directors and the managers of a bankrupt trade company whose dismissal is not published at least one year before the declaration of bankruptcy in the annexes to the Belgian Official Gazette, as well as to any other person who, without being director or manager, was in reality authorized to manage the bankrupt company, to request a judge for rehabilitation for their role in the bankruptcy of the trade company, so that they shall be irrevocably excluded from any activity in an insurance or reinsurance company or from the profession of an insurance or reinsurance intermediary (30 March 2017, no. 43/2017);

 

III. Upcoming conferences

  • Leerstoel Migratie- en Migrantenrecht: 25 april 2017 – Stadscampus Universiteit Antwerpen Hof van Liere (Tassis- en Dürerzaal)
     
  • Het Human Rights Centre (UGent) organiseert de komende weken een interactieve debatreeks over de positie van de rechter in de 21e-eeuwse rechtsstaat, getiteld ‘Wereldvreemde rechters: feit of fictie?’. Gedurende vier avonden worden topsprekers ontvangen die hun licht laten schijnen over de politieke en maatschappelijke druk waaraan de rechter klaarblijkelijk wordt blootgesteld. Daarbij zal de focus liggen op ‘de rechter als politieke actor’, ‘de rechter en de media’ en ‘de rechter en diversiteit’. Ter afsluiting van de reeks zullen de (oud-)voorzitters van het Hof van Cassatie, de Raad van State en het Grondwettelijk Hof met elkaar in gesprek treden. Kortom, 'de rechter aan het woord'.

     

     

    Het volledige programma van de debatreeks vindt u hieronder. Registratie is niet vereist.

    Meer informatie vindt u hier:

Print Friendly, PDF & Email
Share on Social Media

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *