BelConLawBlog publishes a selected reading list of (I) new scholarship on Belgian constitutional law in journals and books, (II) decisions of the Belgian Constitutional Court, (III) upcoming conferences, and (IV) calls for papers. In order to submit relevant developments for our monthly overview, please contact us.

This overview was composed by Marie DeCock (student assistant, UGent).

 

I. Scholarship

A. Journals

  • De Juristenkrant, no. 339 (7 December 2016)

I. VAN HIEL, “Pool voor dokwerkers schendt vrijheid van vakvereniging niet”, 5

R. BOONE, “Jan Nolf zet alles nog eens op een rijtje”, 7

P. PECINOVSKY, “Minimumdienst bij De Lijn”, 16    

 

  • De Juristenkrant, no. 340 (21 December 2016)        

J. RIEMSLAGH, “Derde keer, goede keer voor de bestuurlijke lus”, 3       

J. GOOSSENS, “Vlaams Parlement optimaliseert rechtspleging van bestuursrechtscolleges”, 4

P. DE SMEDT, “EU-Hof zet deur open voor beoordelingsplicht milieueffecten van wetgeving”, 6

P. BEKAERT, “Het vuur van de brandstapel smeult”, 10-11        

F. DORSSEMONT, “Staken bij de NMBS: een kwestie van syndicaal favoritisme?”, 12

 

  • De Juristenkrant, no. 341 (11 January 2017)

S. ROYER en C. CONINGS, “Ook hervormde dataretentiewet staat onder druk”, 1 

C. VAN VYVE, “Dubbele bestraffing voor zelfde fiscale feiten schendt non bis in idem niet”, 3

C. DANIELS, “Immuniteit voor diplomaten geldt ook bij huurgeschillen”, 4

R. VASSEUR, “Grondwettelijk Hof kent rechter geen rol toe bij naamkeuze”, 5

R. BOONE, “Magistratuur en advocatuur blijven verdeeld over religieuze hoofddeksels in de rechtszaal”, 8-9

 

  • De Juristenkrant, no. 342 (25 January 2017)

T. VANDROMME, “Brusselse leegstandboete doorstaat opnieuw grondwettigheidstoets”, 4

I. VAN HIEL, “Grondwettelijk Hof verwerpt beroepen tegen indexsprong en loonnorm”, 5

E. BREWAEYS, “Grondwettelijk Hof garandeert geen recht op tweede aanleg”, 7, 16

 

  • Nieuw Juridisch Weekblad, no. 349           

S. SOTTIAUX, “Pleidooi voor een Vlaamse constitutionele cultuur”,  702-706      

G. BOURGEOIS, “Constitutionele agenda voor Vlaanderen”, 707-711                   

 

  • Revue belge de droit constitutionnel, no. 2  

F. DELPEREE, “L’ordre ! Considérations sur quelques articles de la constitution “, 117-127           

 

  • Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht, 2016-17, no. 10        

S. DE SOMER, “Politieke sturing inzake de tariefmethodologie opgesteld door energieregulatoren: hoeveel ruimte laat het EU-recht?”, 496-502     

M. LELOUP, “De betogingsvrijheid en de vrijwaring van de openbare orde: een analyse van de Europese en de Belgische rechtspraak”, 560-578     

 

II. Decisions of the Belgian Constitutional Court

A. Violation of the Constitution / interpretation in accordance with the Constitution  

The Belgian Constitutional Court:

  • oordeelt dat artikel 23duodecies, §§ 4 en 6, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 juli 2003 houdende de Brusselse Huisvestingscode, zoals het op 24 december 2012 van kracht was, in overeenstemming is met de grondwet in zoverre het aan de rechtbank, die uitspraak doet in hoger beroep, niet de mogelijkheid biedt verzachtende omstandigheden aan te nemen en de administratieve geldboete te verminderen;   

    rules that Article 23duodecies, §§ 4 and 6, of the Ordinance of the Brussels Capital Region of 17 July 2003 on the Brussels Housing Code, as it was in force on 24 December 2012, is in accordance with the Constitution insofar it does not allow the court, that rules on appeal, to take into account mitigating circumstances and to reduce the administrative fine (14 December 2016, no. 159/2016);

 

  • stelt dat artikel 330, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek de grondwet schendt, in zoverre daarin aan het kind ouder dan 22 jaar een termijn wordt opgelegd van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat de persoon die het heeft erkend niet zijn vader is om een vordering tot betwisting van de vaderlijke erkenning in te stellen;  

    decides that Article 330, § 1, fourth paragraph, of the Civil Code violates the Constitution, insofar as it imposes a term to the child over 22 years old of one year from the discovery of the fact that the person who has recognized it is not the father, to set a claim for contestation of the paternal recognition (14 December 2016, no. 161/2016);

 

  • beschouwt artikel 335, § 1, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek grondwetsconform, in zoverre het in geen enkele toetsing van het belang van het kind bij de naamgeving voorziet;

    holds Article 335, § 1, second paragraph, third sentence, of the Civil Code in accordance with the Constitution, to the extent that it does not provide any review of the best interests of the child in the naming system (14 December 2016, no. 162/2016); 

 

  • oordeelt dat artikel 2.6.1, § 3, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de grondwet schendt, in de interpretatie dat bij het onderzoek of het perceel de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve ruimtelijk uitvoeringsplan stedenbouwkundig in aanmerking komt voor bebouwing, ook rekening wordt gehouden met het stedenbouwkundig beleid, zoals dat blijkt uit de structuurplannen en uit het vergunningenbeleid van het bestuur;

    rules that Article 2.6.1, § 3, paragraph 1, 2°, of the Flemish Code of Zoning Law violates the Constitution, in the interpretation that in considering whether the land parcel the day prior to the entry into force of the final spatial implementation plan is eligible for building, also takes into account the urban development policy, as can be seen from the structural plans and the licensing policy of the government (22 December 2016, no. 164/2016);         

 

  • beschouwt artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek als grondwetsconform in zoverre het tot gevolg heeft dat een wet die het bedrag van de aanleg wijzigt, onmiddellijk van toepassing is op de vonnissen die na de datum van inwerkingtreding van die wet door een vrederechter zijn gewezen, zonder dat rekening wordt gehouden met de datum van het inleiden van de zaak voor de eerste rechter of met de datum van het instellen van de vorderingen die voor hem zijn geformuleerd en die bepalend zijn voor de berekening van dat bedrag;

    holds that Article 3 of the Judicial Code is in accordance with the Constitution insofar it has as result that an Act that changes the monetary amount of the instance, is immediately applicable to the judgments made by a Justice of the Peace after the date of entry into force of that Act, without considering  the date of the initiation of the case before the first Judge or the date of taking actions that are formulated for him and that determine the calculation of that amount (22 December 2016, no. 166/2016);   

 

  • oordeelt dat artikel 572bis, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat de familierechtbank, onverminderd de bijzondere bevoegdheden die zijn toegekend aan de vrederechter en de bijzondere wetgevingen, kennis neemt van vorderingen tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden betreffende de uitoefening van hun rechten of betreffende hun goederen, alsook de voorlopige maatregelen die daarop betrekking hebben, grondwetsconform is in zoverre het de feitelijk samenwonenden uitsluit van het toepassingsgebied ervan;     

    rules that Article 572bis, 3°, of the Judicial Code, which states that the Family Court, next to the special powers that are assigned to the Justice of the Peace and the special Acts, takes notice of claims between spouses and legal cohabitants on the exercise of their rights or on their goods, as well as the provisional measures related, is in accordance with the Constitution insofar it excludes the de facto cohabitants from its scope (19 January 2017, no. 1/2017);

 

  • beschouwt artikel 21bis van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 24 van de wet van 27 december 2012 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, als ongrondwettig in zoverre het niet voorziet in een beroep bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter tegen de weigering of de ontstentenis van een beslissing door het openbaar ministerie ten aanzien van een door een verdachte geformuleerd verzoek om toegang tot een dossier in het opsporingsonderzoek;

    holds Article 21bis of the Code of Criminal Procedure, introduced by article 24 of the Act of 27 December 2012 regarding various provisions on justice, as unconstitutional to the extent that it does not provide an appeal to an independent and impartial judge against the refusal or the absence of a decision by the Public Prosecution concerning a request for access to a file in the investigation formulated by a suspect (25 January 2017, no. 6/2017);

 

  • oordeelt dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het de Franse Gemeenschap, handelend in haar hoedanigheid van subsidiërende overheid overeenkomstig de artikelen 25 tot 29 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, niet de mogelijkheid biedt de terugbetaling te verkrijgen van de bezoldiging en de daarop geheven lasten betaald aan een personeelslid van een gesubsidieerde onderwijsinstelling tijdens diens afwezigheden ingevolge een ongeval, ten laste van de daarvoor aansprakelijke derde, ongrondwettig is;           

    in die zin geïnterpreteerd dat zij de Franse Gemeenschap, handelend in haar hoedanigheid van subsidiërende overheid overeenkomstig de artikelen 25 tot 29 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, de mogelijkheid biedt de terugbetaling te verkrijgen van de bezoldiging en de daarop geheven lasten betaald aan een personeelslid van een gesubsidieerde onderwijsinstelling tijdens diens afwezigheden ingevolge een ongeval, ten laste van de daarvoor aansprakelijke derde, is dezelfde bepaling grondwetsconform;

    holds Article 1382 of the Civil Code, interpreted in the way that it does not allow the French Community, acting in its capacity as a subsidizing government as in Articles 25 to 29 of the Act of 29 May 1959 amending certain provisions of the Education Act, to offer the possibility to obtain the repayment of the remuneration and the levied taxes paid to a staff member of a subsidized educational institution during his absences following an accident, shall be paid by the liable third party, as unconstitutional;  

    interpreted in the way that it offers the French community, acting in its capacity as a subsidizing government as in Articles 25 to 29 of the Act of 29 May 1959 amending certain provisions of the Education Act, the possibility to obtain the repayment of the remuneration and the levied taxes paid to a staff member of a subsidized educational institution during his absences following an accident, shall be paid by the liable third party, is the same provision in accordance with the Constitution (25 January 2017, no. 7/2017);    

 

  • oordeelt dat de artikelen 827, 1017 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in de interpretatie volgens welke artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op het geval van afstand van geding, grondwetsconform zijn;   

    considers that the Articles 827, 1017 and 1022 of the Judicial Code, in the interpretation according to which Article 1022 of the Judicial Code applies to the case of withdrawal of proceedings, are in accordance with the Constitution (25 January 2017, no. 8/2017).

 

B. No violation of the Constitution

The Belgian Constitutional Court:         

  • oordeelt dat artikel 74, § 3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen, dat inhoudt dat in de gevallen waarin het Instituut opdrachten als lasthebber van een Gemeenschap of een Gewest heeft uitgevoerd, die opdrachten en de daarbij horende goederen, rechten en verplichtingen worden overgedragen aan de respectieve lastgevers, op een datum overeen te komen tussen het Instituut en elke betrokken lastgever, artikel 175 van de Grondwet niet schendt;      

    holds Article 74, § 3, paragraph 2, of the Act of 6 August 1993 concerning social and various provisions, that means that in the cases where the Institute carried out assignments for a Community or a Region as a trustee, those assignments and the associated goods, rights and obligations are transferred to the respective principals, on a date to be agreed between the Institute and each involved principal, in accordance with the Constitution (1 December 2016, no. 154/2016);

 

  • beschouwt artikel 7 van de wet van 16 maart 2000 “betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden”, zoals het is vervangen bij artikel 13 van de wet van 10 januari 2010 “tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel”, als grondwetsconform; 

    rules that Article 7 of the Act of 16 March 2000 concerning the dismissal of certain soldiers and the termination of recruitment or re-recruitment of some candidate-soldiers, the fixation of the yield period and the recovery by the State of a part of the costs carried by the State for the education and a part of the wages enjoyed during the education, as it has been replaced by Article 13 of the Act of 10 January 2010 establishing the voluntary military deployment and amending various Acts that apply to the military personnel, is in accordance with the Constitution (8 December 2016, no. 156/2016);     

 

  • beschouwt artikel 2 van de wet van 7 mei 2009 “houdende instemming met en uitvoering van het Avenant, ondertekend te Brussel op 12 december 2008, bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 en gewijzigd door de Avenanten van 15 februari 1971 en 8 februari 1999” als grondwetsconform;

    holds Article 2 of the Act of 7 May 2009 concerning the approval with and the implementation of the Appendix, signed in Brussels on 12 December 2008, to the Agreement between Belgium and France on the prevention of double taxation and regulating the mutual administrative and legal assistance for income taxes, signed in Brussels on 10 March 1964 and modified by the Appendices of 15 February 1971 and 8 February 1999 in accordance with the Constitution (8 December 2016, no. 157/2016);     

 

  • oordeelt dat artikel III.26, § 2, van het Wetboek van Economisch Recht, dat stelt dat “indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, tegenvordering of vordering tot tussenkomst, ingediend bij verzoekschrift, bij conclusie of deurwaardersexploot, gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen”, grondwetsconform is;         

    states that Article III.26, § 2, of the Code of Economic Law, which states that "if the trade or craft business is registered in the Database for Enterprises in this capacity, but its principal claim, counterclaim or petition for intervention, submitted by application, conclusion or bailiff letter, is based on an activity for which the company on the date of the introduction of that claim is not registered or which does not fall under the societal goal for which the enterprise is registered on this date, then the claim of that enterprise is inadmissible. However, the inadmissibility is compensated, if it is not invoked before any other exception or defence", is in accordance with the Constitution (14 December 2016, no. 160/2016);         

 

  • oordeelt dat artikel 4, § 3, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 1992 “betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen” grondwetsconform is;

    states that Article 4, § 3, of the Ordinance of the Brussels Capital Region of 23 July 1992 on the regional taxes paid by occupiers of built-up properties and holders of a right in rem in some immovable assets is in accordance with the Constitution (22 December 2016, no. 165/2016);

 

  • beschouwt artikel 38, § 6, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, dat handelt over het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig, gecoördineerd op 16 maart 1968, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 9 maart 2014, als grondwetsconform;

    holds Article 38, § 6, of the Act on the road traffic police, which deals with the forfeiture of the right to drive a motor vehicle, coordinated on 16 March 1968, inserted by Article 9 of the Act of 9 March 2014, in accordance with the Constitution (22 December 2016, no. 168/2016);           

 

  • oordeelt dat artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen dat betrekking heeft op het rustpensioen in overeenstemming is met de Grondwet;

    states that Article 8 of the General Act of 21 July 1844 on the civil and ecclesiastical pensions that  covers the retirement pension is in according with the Constitution 19 January 2017, no. 2/2017);     

 

  • stelt dat Artikel 1253ter/5, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat de feitelijk samenwonenden uitsluit van het recht om het genot van de echtelijke of de gemeenschappelijke verblijfplaats te vorderen, grondwetsconform is;        

    holds that Article 1253ter/5, third paragraph, of the Judicial Code that excludes the de facto cohabitants of the right to claim the enjoyment of the marital or common residence is in accordance with the Constitution (19 January 2017, no. 4/2017);     

 

  • oordeelt dat Artikel 84ter van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde dat inhoudt dat de fiscale administratie de kennisgeving van de vermoedens van belastingontduiking slechts dient te verrichten voorafgaandelijk aan de vordering van de belasting in de aanvullende termijn van vier jaar, grondwetsconform is;      

    rules that Article 84ter of the Code of Value Added Tax, that states that the Tax Administration only needs to perform the notification of the suspicions of tax evasion prior to the claim of the tax in the additional four-year term, is in accordance with the Constitution (19 January 2017, no. 5/2017);        

 

  • beschouwt artikel 7, § 14, vierde lid van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij artikel 114 van de programmawet van 2 augustus 2002, dat betrekking heeft op de wachttijdvoorwaarden voor de toekenning van het recht op uitkeringen, als grondwetsconform;

    holds Article 7, § 14, fourth paragraph, of the Decree-Act of 28 December 1944 on the social security of workers, inserted by Article 114 of the Programme Act of 2 August 2002, which concerns conditions regarding the waiting time for the granting of the right to benefits, in accordance with the Constitution (25 January 2017, no. 9/2017);

 

  • oordeelt dat artikel 95 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, dat betrekking heeft op de invordering van bijdragen, in overeenstemming is met de Grondwet;

    rules that Article 95 of the Act of 30 December 1992 on social and various provisions, regarding the collection of contributions, is in accordance with the Constitution (25 January 2017, no. 10/2017);              

 

  • beslist dat artikel 581, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat de arbeidsrechtbank bevoegd is om kennis te nemen van geschillen inzake de verplichting voor de vennootschappen tot het betalen van een bijdrage bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen, grondwetsconform is;

    decides that Article 581, 8°, of the Judicial Code, which states that the Labour Court is competent to examine disputes concerning the obligation for companies to pay a contribution for the social status of self-employed persons, is in accordance with the Constitution (25 January 2017, no. 11/2017).

 

III. Upcoming conferences

  • Book launch: 'De zelfinrichtingsbevoegdheden van de deelstaten'         
    Thursday 23 February 2017 (10am – 12.15pm), Flemish Parliament (Brussels) 
    More information and registration  
     
  • Workshop: 'De bevoegdheden van de gemeenschappen'          
    Friday 24 March 2017, Senate (Brussels)    
    More information and registration

 

IV. Vacancies

Print Friendly, PDF & Email
Share on Social Media

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *