Bram De Cock en Tim Deley (masterstudenten UGent) namen een diepgaand interview af met Thomas Leys, coördinator van de studiedienst van Open Vld.

Leys ondersteunde Patrick Dewael bij de totstandkoming van het voorstel tot een preambule bij de Belgische grondwet.

Inleiding

Scheiding kerk en staatHet debat over de plaats van godsdienst binnen onze samenleving wint de laatste jaren aan belang. De voorbije decennia heeft de immigratie vanuit islamitische landen vragen doen rijzen naar de plaats van de islam. Denk bijvoorbeeld aan islamitische terrorisme, onverdoofd slachten of al dan niet voorzien van gescheiden zwemgelegenheden voor mannen en vrouwen. Hierdoor rijzen in onze postgeseculariseerde West-Europese samenleving vragen over de verhouding tussen religie – recentelijk in het bijzonder de islam – enerzijds, en de burgerlijke samenleving of de democratische staat anderzijds. Zo zijn er bezorgdheden dat binnen bepaalde bevolkingsgroepen de opvatting zou leven dat religieuze voorschriften primeren op de burgerlijke wet waardoor onze ‘fundamentele waarden’ onder druk komen te staan. Anderen daarentegen beschouwen godsdienst als inherent onverzoenbaar met een rationeel wereldbeeld, waardoor in twijfel wordt getrokken of religie rechtmatig een plaats mag opeisen in de staat. De discussie over de verhouding tussen religie en staat is dan ook terug van nooit weggeweest.

Het bovenstaande is niet aan de aandacht van de politieke wereld ontsnapt. Uit verschillende hoeken wordt opgeroepen tot een aangepaste (grond)wettelijke regeling inzake de verhouding tussen kerk, geloof en staat. Patrick Dewael (Open Vld) nam het initiatief tot het opstellen van een verslag over het karakter van de staat in de Commissie Grondwet. Kamerleden Veerle Wouters en Hendrik Vuye betoogden in een reactie dat de grondwet expliciet de suprematie van de burgerlijke wet boven religieuze voorschriften dient voor te schrijven. Patrick Dewael stelde op zijn beurt voor om een preambule aan onze grondwet toe te voegen en bepaalde grondwettelijke bepalingen te wijzigen. Hij beoogt onder meer de scheiding van geloof en staat, de neutraliteit van de overheid, de gelijkheid van mannen en vrouwen en meer in het algemeen de waarden van de Verlichting prominenter in de grondwet te verankeren. Reacties vanuit andere partijen geven evenwel aan dat de noodzaak van dergelijke grondwetswijzigingen niet door iedereen als even dringend wordt ervaren. De huidige verhouding tussen kerk en staat vormt immers het resultaat van historische compromissen. Het is geen sinecure om deze evenwichten substantieel in vraag te stellen.

Wat wil men met de vooropgestelde preambule en grondwetswijzigingen realiseren dat verder gaat dan de huidige bepalingen?

LEYS: Toen Patrick Dewael in januari 2016 het debat opende in de Commissie Grondwet, was onze doelstelling niet om enkel het idee van de preambule vooruit te schuiven. We stelden evenwel vast dat er in de nasleep van de aanslag in Parijs en de vluchtelingencrisis in onze samenleving veel gesproken wordt over onze waarden en normen en grondrechten. We vragen ons af waar België of Europa voor staan, wat die Verlichtingswaarden waar we zoveel belang aan hechten inhouden. Dhr. Dewael vond dat we daarover duidelijker moeten zijn, zodat we niet in een samenleving terecht komen waar iedereen een andere richting uitgaat. Er moet duidelijkheid zijn over de basisprincipes waarover we het als samenleving eens zijn.

Na een reeks hoorzittingen met filosofen, staatsrechtgeleerden en andere academici hebben we vastgesteld dat een aantal principes wel degelijk in onze grondwet staan, maar een aantal andere zaken vonden we niet uitdrukkelijk terug. We hebben vastgesteld dat de grondwet weinig duidelijke keuzes maakt of uitdrukkelijke bepalingen bevat. Men zegt vaak dat de grondwet de scheiding van kerk en staat regelt, maar nergens wordt uitdrukkelijk gezegd wat de exacte verhouding is. Rechtspraak en rechtsleer hebben die lacune weliswaar deels ingevuld, maar waarom zouden we daarover in het parlement en in de grondwet zelf geen duidelijkheid verstrekken? Je kan die basisprincipes van onze samenleving prominenter naar voor brengen in artikel X of Y van de grondwet, maar wij vinden het beter dat, wanneer iemand de grondwet begint te lezen, hij of zij onmiddellijk met die principes geconfronteerd wordt. Zo is het idee van de preambule ontstaan.

De Belgische grondwet krijgt weinig aandacht in de samenleving, zeker in vergelijking met het statuut dat de grondwet in Duitsland of de Verenigde Staten heeft. In die landen is de bevolking trots op haar grondwet en kent ze ook veel meer de inhoud ervan. Die constitutionele cultuur willen we ook in België introduceren. Nu komt de grondwet enkel onder de aandacht bij de zoveelste staatshervorming, maar hebben de burgers geen echte band met hun grondwet.

De grondwet zou bijgevolg duidelijk moeten zijn en deze heeft ook een pedagogische rol te vervullen. Eigenlijk zou je ervoor moeten zorgen dat de grondwet prioriteit geeft aan de zaken die belangrijk en essentieel zijn. In die zin is het dus niet de bedoeling compleet nieuwe bepalingen in te voeren, maar eerder om bestaande discussies te bezegelen en de keuzes die we als samenleving maken te verankeren in onze grondwet.

Is er al consensus over de juridische waarde die de preambule moet krijgen? Moet deze bindend zijn, of eerder symbolisch zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse grondwet?

LEYS: De preambule zal allicht niet opgesteld worden met dwingende bepalingen, maar zal voornamelijk principes bevatten. Maar ze zal natuurlijk wel onderdeel zijn van de grondwet en je moet de preambule dus samenlezen met de tekst van de grondwet.

Het zou dus eerder om een secundair bindende, interpretatieve preambule gaan?

LEYS: Ja. Maar veel hangt natuurlijk ook af hoe het Grondwettelijk Hof en andere rechtbanken er nadien mee omgaan. In de eerste plaats moet je natuurlijk kijken naar de grondwet zelf en hoe bepaalde rechten daarin omschreven zijn, maar als we geconfronteerd worden met botsende grondrechten kan een preambule natuurlijk richtinggevend zijn. Het is niet de bedoeling de interpretatieruimte van het Grondwettelijk Hof aan banden te leggen, maar wel een beetje de richting te bepalen. We staan voor heel veel diversiteit in onze samenleving, maar een aantal principes achten we wel centraal. Het is niet de bedoeling dat men binnen 10-20-100 jaar kan zeggen dat dit soort zaken niet meer belangrijk zijn. We hebben het dan bijvoorbeeld over de gelijkheid van man en vrouw, maar ook zaken als het zelfbeschikkingsrecht etc., zaken waarvan we vinden dat er nooit meer aan mag getornd worden.

We zagen in het voorstel van resolutie en in de preambule zelf dat er sprake is van de scheiding van ‘geloof’ en staat, en niet van de traditionele term scheiding van ‘kerk’ en staat. Wat is de onderliggende reden hiervoor?

Kerk wordt bij ons nog altijd vooral geïnterpreteerd als de katholieke kerk, maar dat is niet meer accuraat. In 1830 was de kerk een machtsorganisatie waarmee de staat een bepaalde verhouding had. Vandaag is het geloof veel meer een individuele kwestie geworden. Daarnaast zijn er ook tal van organisaties en instellingen die zich bv. katholiek, protestants, joods of islamitisch noemen zonder dat die allemaal onder een centraal instituut als de Kerk kunnen gevat worden, en daardoor duiken steeds meer vragen op. Als bijvoorbeeld een katholiek ziekenhuis zegt 'Wij gaan de wet op euthanasie niet toepassen', dan is dat op basis van geloof dat men dat soort dingen doet en niet zozeer de kerk an sich. Daarom willen we de discussie uitbreiden naar geloof, maar ook levensbeschouwing. De georganiseerde vrijzinnigheid is bijvoorbeeld geen geloof, maar wel een levensbeschouwing. Zij zouden zich ook via een zuil kunnen ontwikkelen waar een aantal mensen zich niet goed bij zouden voelen, omdat ze niet willen dat hun overheid gedomineerd wordt door wat dan zou worden gezien als militant atheïsme. We gebruiken in onze teksten geloof en levensbeschouwing door elkaar, maar in de uiteindelijke tekst moet daar inderdaad goed naar gekeken worden.

Begin dit jaar diende Olivier Maingain een voorstel in om – naar het voorbeeld van Frankrijk – de laïciteit in de grondwet in te schrijven. Dit voorstel werd niet weerhouden. In de Franstalige pers gebruikt Mr. Dewael consequent laïcité, terwijl het voorstel van preambule neutraliteit wordt gebruikt, wat is daar de reden voor?

LEYS: Dat is voornamelijk een taalkundig gegeven denk ik. Vrijzinnigheid is laïcité in het Frans, dus het heeft vooral daarmee te maken. Wij zijn geen voorstander van het begrip laïcité omdat het teveel doet denken aan de situatie in Frankrijk. Die situatie is niet zomaar transponeerbaar naar België en daarom hebben we ervoor gekozen dat woord niet te gebruiken. Maar we zitten natuurlijk wel in een discussie over laïciteit, maar dan meer in de academische betekenis. We geloven dat de staat niet gebouwd is op bepaalde geloofsprincipes, we geloven dat we een lekenstaat zijn. Dat betekent echter niet dat daarom in de grondwet moet staan dat België de laïciteit aanhangt. Voor ons is het geen breekpunt om dat nu per se in de grondwet te zetten.

Aan Franstalige zijde is er het voorstel geweest van de PS om een burgerconventie in het leven te roepen om grondwetswijzigingen te bespreken met de burgers en niet enkel binnen de politiek. Zijn jullie daar ook mee bezig?

LEYS: Absoluut. We willen enerzijds de preambule en de principes die we in de grondwet willen expliciteren, maar tegelijkertijd willen we aandacht besteden aan de constitutionele cultuur. In een aantal tussenkomsten van experts, maar ook van de verschillende fracties kwam naar voor dat, wanneer je een grondwet wil maken van en voor het volk, je dat volk daar ook bij moet betrekken. Eén van de vaststellingen is dat onze Belgische grondwet in 1830 is opgesteld door het Nationaal Congres, dat weliswaar het volk vertegenwoordigde, maar in een tijd dat slechts 1% van de mensen mocht stemmen. Latere grondwetswijzigingen gebeurden vaak in het kader van een staatshervorming boven de hoofden van de mensen en dat verklaart wellicht ook de zwakke constitutionele cultuur in ons land. Met ons voorstel van preambule heb je nu eindelijk de mogelijkheid om het constitutioneel debat open te trekken naar de hele samenleving.

We zouden dus graag een breed debat hebben dat ook lokaal kan gevoerd worden. We geloven ook dat het perfect past in het proces waarin we zitten. Zoals je weet, regelt artikel 195 van onze grondwet de procedure voor grondwetsherziening. In de praktijk betekent dit vaak dat de regering aan het einde van haar legislatuur kort nadenkt over welke artikelen voor herziening vatbaar moeten verklaard worden. Nu hebben we de kans om als parlement dat debat naar ons toe te trekken en een breed debat te voeren met de bevolking. Met input van de samenleving kunnen we kijken op welke punten de grondwet moet gewijzigd worden of, als men vindt dat er nood is aan een preambule, welke vorm we dan verkiezen, … Zo kunnen we in 2019 een breed gedragen lijst opstellen van artikelen die ter herziening vatbaar moeten verklaard worden.

Het is dus de bedoeling om voor de verkiezingen de bevolking enigszins te betrekken, maar nadien trekt de politiek het laken terug naar zich toe?

LEYS: Ja. Uiteindelijk is het uiteraard het parlement, de constituante, die de grondwet wijzigt. Maar het kan geen kwaad om eerst het debat met de samenleving te voeren en na de volgende verkiezingen te kijken of we een tweederdemeerderheid kunnen vormen.

Hoe reageren andere partijen op uw voorstel van preambule? Ondervindt u tegenstand?

LEYS: Hoewel wij aanvankelijk weerstand hadden verwacht, merken wij toch dat de andere fracties zich zeer constructief opstellen en desnoods met alternatieven komen. CD&V stelt bijvoorbeeld voor om in plaats van een preambule te kiezen voor een uitbreiding van art. 1 Gw. met een soort tekst zoals wij die voor de preambule hadden voorzien. Ook onze partijvoorzitter Gwendolyn Rutten (Open Vld) merkte reeds regelmatig op dat het eerste grondwetsartikel met haar verwijzing naar gemeenschappen en gewesten eigenlijk maar een ‘triestige’ aanhef is voor onze Grondwet. Wij denken dat een preambule de meest elegante oplossing zou zijn, maar het kan dus ook een interessante piste zijn om art. 1 Gw., dat ook louter een bepaalde declaratieve waarde heeft, wat verder uit te werken. Het hangt ervan af waar de tekst het beste thuishoort. Op zich zijn de posities verzoenbaar.

Hoe beoordeelt u de houding van N-VA? Vanuit Vlaams-nationalistisch oogpunt is het niet evident om de Belgische grondwet meer symboliek en ‘bravoure’ te geven.

LEYS: Geert Bourgeois (N-VA) heeft een aantal maanden geleden een interessante toespraak gegeven met betrekking tot het ontwikkelen van een constitutionele cultuur. Hij heeft het over bepaalde belangrijke principes waar wij ons zeker in kunnen vinden, maar wil ze dan gaan toepassen op een Vlaamse grondwet of Vlaams gronddecreet. Die principes zijn evenwel evengoed toepasbaar in de Belgische context. Het gaat immers om universele principes: er is geen reden waarom Vlaamse grondrechten verschillend hoeven te zijn van Belgische grondrechten. Op dat punt stelt N-VA zich eigenlijk niet consequent op.

In het verleden heeft Open Vld eveneens voorstellen gedaan voor een Vlaamse grondwet. In andere federale landen hebben deelstaten vaak constitutionele autonomie. Dit lijkt ons evenwel eerder een lange termijn oefening, die bovendien veel meer verdeeldheid zou teweegbrengen. Daarom verkiezen wij om een reeds bestaand instrument te verbeteren. Dit neemt niet weg dat op verschillende bestuursniveaus aandacht voor deze aspecten nodig is. Zo bestaan er ook op Europees niveau belangrijke grondrechteninstrumenten, zoals het EVRM of het Handvest van de Grondrechten van de EU.

Het voorstel van resolutie van Dewael stelt voor om in art. 21 Gw. te expliciteren dat religieuze voorschriften onder geen beding boven de burgerlijke wet kunnen worden geplaatst. Op welke problematiek biedt dit voorstel een antwoord? Zijn er momenteel voorbeelden van situaties waarin men zich op grond van religieuze motieven aan de gelding van wettelijke voorschriften kan onttrekken of is de wijziging louter symbolisch?

LEYS: In een aantal kwesties komt de vraag naar deze verhouding naar voren. Zo is er de kwestie van het onverdoofd slachten en het dierenwelzijn: de Raad van State ondervindt duidelijk grote moeite om zich hier duidelijk over uit te spreken, en stelt in wezen voor om via dialoog tot een oplossing te komen. De euthanasiediscussie is een ander voorbeeld. Wij menen dat er bij het ontwerpen van dergelijke wettelijke regelingen zeker oog moet zijn voor de godsdienst- en gewetensvrijheid. Vanaf het moment waarop een wet is goedgekeurd, mag geloof of levensbeschouwing echter geen reden zijn om zich aan de gelding van de wet te onttrekken. Zo primeert in de context van euthanasie het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt op de gewetensbezwaren van een katholiek ziekenhuis. Individuele artsen mogen evenwel niet gedwongen worden aan euthanasie mee te werken.

In de preambule wordt gesproken van een absolute voorrang van het burgerlijk recht op religieuze voorschriften. Betekent dit dat de godsdienstvrijheid aldus wordt ingeperkt? Godsdienstige regels zouden in de toekomst dan immers steeds het onderspit delven ten opzichte van burgerlijke regels. Jogchum Vrielink gaf het voorbeeld van de katholieke kerk, waar vrouwen geen priester mogen worden. Als men in de grondwet schrijft dat het burgerlijk recht absolute voorrang heeft op religieuze voorschriften, kunnen vrouwen dan in theorie eventueel het priesterschap afdwingen?

LEYS: De scheiding van geloof en staat houdt in beginsel in dat de staat zich niet inlaat met de interne organisatie van de godsdiensten en met de inhoudelijke keuzes die binnen een bepaalde godsdienst worden gemaakt, voor zover het algemeen belang zich hiertegen niet verzet. Zo mag men uiteraard niet op basis van geloofs- of levensbeschouwelijke overtuigingen de strafwet overtreden. Voor het overige is het aan de godsdiensten zelf om eventueel intern bepaalde veranderingen door te voeren.

Conflicten kunnen evenwel rijzen met betrekking tot de vraag of een bepaalde praktijk (bijvoorbeeld het dragen van een hoofddoek binnen de islam) intern is aan een bepaalde godsdienst, of toch onderhevig kan zijn aan bepaalde maatregelen voor zover het gaat om een praktijk die zich manifesteert in de publieke ruimte.

Zou het, in het kader van een strikte neutraliteit van de staat t.o.v. godsdienst, niet aangewezen zijn de staat niet langer bepaalde religies te laten erkennen? Het erkenningsmechanisme houdt immers per definitie een keuze in tussen bepaalde godsdiensten, wat belangrijke gevolgen heeft op het vlak van financiering van de erediensten. Bovendien financieren burgers op die manier religies die zij niet praktiseren (in tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitsland en Italië). Kan dergelijke regeling wel neutraal worden genoemd? Of biedt het huidige erkenningsregime ook voordelen voor de staat?

LEYS: Het partijstandpunt van Open Vld is dat erediensten niet met overheidsmiddelen gefinancierd horen te worden. Dit gebeurt volgens ons het beste op een andere manier, zoals bijvoorbeeld via vrijwillige bijdragen van de gelovigen. Dit is evenwel niet de bedoeling van dit voorstel, aangezien hiervoor geen meerderheid te vinden zal zijn in het parlement.

Het gegeven dat de staat bepaalde religieuze instellingen erkent, betekent evenwel niet dat er sprake is van een vermenging van geloof en staat. De staat subsidieert vele organisaties, zoals culturele of sportverenigingen. Niemand beweert dat kunstenaars of sportlui om die reden niet langer onafhankelijk zouden zijn. Er wordt helemaal geen inhoudelijke rekenschap verwacht in ruil voor een erkenning. De criteria voor erkenning kunnen evenwel transparanter en objectiever.

In de resolutie van Dewael wordt gepleit voor een herziening van artikel 19 'om te verduidelijken onder welke omstandigheden de vrijheid van eredienst en de vrije uitoefening ervan kan worden beperkt, alsook de vrijheid van geloof en wereldbeschouwing’. Over welke omstandigheden gaat het hier?

LEYS: In het voorstel van resolutie zijn alle grondwetsartikelen met betrekking tot geloof en staat opgenomen. Het is goed mogelijk dat dit of een ander artikel uiteindelijk onaangeroerd wordt gelaten.

Veel van onze rechten en vrijheden zijn eigenlijk zeer relatief. Zo is er een vrijheid van meningsuiting die enkel geldt voor zover de wet niet anders bepaalt. Zij kan dus gewoon worden tenietgedaan als het parlement bijvoorbeeld een wet goedkeurt die bepaalt dat men enkel het recht heeft te zeggen wat in lijn is met het regeringsstandpunt. Pas later heeft bijvoorbeeld het EVRM duidelijk gemaakt dat rechten en vrijheden enkel onder bepaalde voorwaarden kunnen worden beperkt (noodzakelijkheidsvereiste, beperking moet passend zijn in een democratische samenleving enz.).

Ook met de preambule is het de bedoeling duidelijk te maken wanneer beperkingen mogelijk zijn. Beperkingen moeten kunnen, maar niet eender welke vorm van beperkingen.

Dewael sprak in interviews over een verbod op religieuze symbolen voor overheidsambtenaren. Is het gerechtvaardigd om het uiten van een bepaalde geloofsovertuiging door een bepaalde ambtenaar d.m.v. een religieus symbool gelijk te stellen met het uiten van een geloofsovertuiging in naam van die overheid zelf? Op welke gronden kan men een dergelijk verbod rechtvaardigen?

LEYS: Het is niet de bedoeling om een dergelijk verbod op religieuze symbolen rechtstreeks in de Grondwet in te schrijven. Wij bepleiten wel dat het principe van de neutraal handelende overheid in de Grondwet wordt verankerd. Tot nu toe is dat principe nationaal enkel in de rechtspraak van de Raad van State expliciet erkend. In de context van dit principe zal dan een duidelijk debat in het parlement moeten plaatsvinden, waarbij zal moeten worden uitgemaakt of dit past binnen de geloofsvrijheid van het individu of binnen het neutrale optreden van een vertegenwoordiger van de overheid.

Veel experten omschrijven het neutraal handelen van de overheid als het geen voorkeur laten blijken voor bepaalde levensbeschouwingen, waarbij men enkel rekening mag houden met de handelingen van de ambtenaren. Patrick Dewael daarentegen meent dat men bij echte uiterlijke tekenen van geloofsovertuiging het neutraal optreden van de overheid terecht in vraag kan stellen, in het bijzonder voor ambtenaren die in contact komen met het publiek.

Wat echter vooral belangrijk is, is dat een algemene gedragsregel afgesproken wordt, die voor het hele land gelijk is. Op die manier is voor iedereen duidelijk wat kan en wat niet, en hoeft de rechterlijke macht niet langer geval per geval te trancheren. Nu heeft iedere overheid soms andere regels.

In hoeverre is het wenselijk om een interpretatieve preambule aan te nemen meer dan 185 jaar na het ontstaan van een grondwet? In de rechtsleer sprak met name Frank Judo zich reeds kritisch uit over wat hij noemt de ‘postambule’[1]. Riskeert men door de opname van dergelijke preambule geen interpretatieverschillen en inhoudelijke verschuivingen ten aanzien van de huidige invulling van de grondwet, zoals reeds werd aangegeven door CD&V-Kamerfractieleider Servais Verherstraeten?

LEYS: Op zich kan het inderdaad een vrij vreemde oefening lijken om 185 jaar na datum een preambule te schrijven bij de Grondwet. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat er in het verleden reeds bepaalde stilistische ingrepen in de Grondwet zijn doorgevoerd. Zo is de Grondwet in 1993 gecoördineerd, met een hernummering van de artikelen en titels tot gevolg. Een dergelijke ‘postambule’ hoeft helemaal niet onmogelijk te zijn. Men kan ons voorstel overigens evengoed een ‘inleidende verklaring’ of een ‘voorafgaande titel’ noemen. De CD&V-piste, die een uitbreiding van art. 1 Gw. voorstelt, lijkt ons meer risico in te houden met betrekking tot interpretatiemoeilijkheden dan het toevoegen van een preambule, aangezien het risico bestaat dat art. 1 Gw. meer dwingende kracht zal hebben dan een preambule.

In hoeverre moet voor een eventuele preambule de herzieningsprocedure van art. 195 Gw. gevolgd worden? Is het mogelijk hieraan voorbij te gaan?

LEYS: Een van de experten, prof. Marc Uyttendaele (ULB), betoogde dat art. 195 Gw. enkel geldt voor het wijzigen van grondwetsbepalingen en niet voor het toevoegen van een preambule, wat zou betekenen dat men het recht heeft om een preambule goed te keuren zonder de grondwetsherzieningsprocedure te volgen. Alle andere experten beschouwen zo’n oefeningen daarentegen toch als sleutelen aan de Grondwet, wat uiteraard betekent dat art. 195 Gw. wel degelijk van toepassing is.

Hoe schat u het verdere verloop in van de werkzaamheden in de commissie?

LEYS: Nu gaan we naar twee trajecten. Ten eerste zijn er de werkzaamheden omtrent de preambule, een idee waar een meerderheid van het parlement graag naartoe wil gaan, goed wetende dat de tweederdemeerderheid in de volgende legislatuur er nog niet is. De verkiezingsresultaten zullen hierin uiteraard een grote rol spelen. We willen daarbij ook een vorm van burgerparticipatie mogelijk maken. In elk geval willen we dit proces stapsgewijs aanpakken, om de samenleving, partijen en fracties de kans te geven om het idee te laten rijpen en daarna naar een synthese te gaan. Blijkt het project niet de noodzakelijke steun te krijgen, dan blijft het hoe dan ook een nuttige oefening voor de toekomst.

Ten tweede leggen we ons toe op concrete voorstellen in verband met de scheiding van geloof en staat, zoals bijvoorbeeld een wijziging van artikel 21 Gw., dat in de huidige legislatuur voor herziening vatbaar is. Dit lijkt ons niet onmogelijk, aangezien vele partijen zich hiertoe reeds bereid hebben getoond.

 


[1] F. JUDO, “Een constitutioneel novum: de postambule”, RW 2016-2017, afl. 8, 282.

 

Print Friendly
Share on Social Media

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *