BelConLawBlog publishes a selected reading list of (I) new scholarship on Belgian constitutional law in journals and books, (II) decisions of the Belgian Constitutional Court, (III) upcoming conferences, and (IV) calls for papers. In order to submit relevant developments for our monthly overview, please contact us.

This overview was composed by Marie DeCock (student assistant, UGent).

 

I. Scholarship

A. Journals

  • De Juristenkrant, no. 337 (9 November 2016)

M. GEUENS, “Europese Commissie lijkt Europees burgerinitiatief te begraven”, 6

F. SCHUERMANS, “EHRM verplicht oproeping ter zitting van getuige à charge”, 13

B. KRUISMANS, “Van een vervelend vodje papier”, 14

P. CANNOOT, “Nieuwe Franse transgenderwet: België kan beter”, 20

 

  • De Juristenkrant, no. 338 (23 November 2016)

A. GODFROID, “Dwangsommen in het vreemdelingenrecht zijn niet om te lachen”, 2

C. VAN VYVE, “EHRM hekelt extreem formalisme Raad van State”, 3

D. VOORHOOF, “Wobben is EVRM-grondrecht”, 5

L. DE DEYNE, “VREG naar Vlaams parlement: onvoldoende garanties voor onafhankelijkheid”, 10

D. BIJNENS en S. KEUNEN, “Exit van de Brexit”, 16

 

  • Rechtskundig Weekblad, 2016-17, no. 12

    S. SOBRIE, “Andermaal over de grondwettigheid van de rechtsplegingsvergoeding (in strafzaken)”, 442

 

  • Journal des tribunaux, 2016, no. 6665

    G. ROSOUX, “Maintien des effets d’une disposition annulée et renvoi préjudiciel au juge constitutionnel : les paradoxes d’une annulation en trompe-l’œil”, 657-663

 

  • Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht, 2016-17, no. 8

    H. BORTELS , “Rechtspraakoverzicht Grondwettelijk Hof 2015 – Bevoegdheid en rechtspleging”, 369-400

    J. LIEVENS, “Onderwijsrecht”, 401-416

    F. CHARLIER, “Provinciale en lokale besturen”, 417-421


B. Books

  • A. ALEN, A.W. HERINGA, D. HEIRBAUT, C. ROTTEVEEL MANSVELD (eds.), De Grondwet van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden van 1815, Die Keure, 2016, 257 p.

 

II. Decisions of the Belgian Constitutional Court

A. Violation of the Constitution / interpretation in accordance with the Constitution

The Belgian Constitutional Court:

  • beschouwt artikel 591, 25°, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 11 van de wet van 26 maart 2014 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties met het oog op de toekenning van bevoegdheid aan de natuurlijke rechter in diverse materies », als ongrondwettig in zoverre het de bevoegdheid van de vrederechter niet uitbreidt tot de vordering ingesteld door de overnemer van een schuldvordering die in handen was van een elektriciteits- of gasleverancier en die betrekking had op de betaling, door een natuurlijke persoon die geen onderneming is als bedoeld in artikel 573, eerste lid, 1°, van het voormelde Wetboek, van een geldsom die verschuldigd is voor de levering van gas of elektriciteit;

    holds that Article 591, 25°, of the Judicial Code, introduced by Article 11 of the Act of 26 March 2014 « amending the Judicial Code and the Act of 2 August 2002 on combating late payment in commercial transactions with the purpose to grant jurisdiction to the natural judge in various matters », is unconstitutional insofar as it does not extend the competence of the Justice of the peace to the action brought by the transferee of a claim that was in hands of an electricity or gas supplier and that was related to the payment, by a natural person who is not a company as referred to in Article 573, first paragraph, 1°, of the above-mentioned Code, of a sum of money owed for the supply of gas or electricity (10 November 2016, no. 139/2016);

  • oordeelt dat artikel 2.6.1, § 3, 4°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat stelt dat enkel de eerste 50 meter vanaf de rooilijn in aanmerking komt voor planschade, ongrondwettig is, doch uitsluitend voor wat betreft gronden gelegen in andere gebieden dan woongebieden zoals in industriegebieden, gebieden voor ambachtelijke bedrijven, gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen en andere gebieden die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve plan waarbij een bouwverbod wordt opgelegd, bestemd waren om gebouwen te ontvangen met een bouwdiepte van meer dan 50 meter vanaf de rooilijn;

    rules that Article 2.6.1, § 3, 4°, of the Flemish Code of Zoning Law, which states that only the first 50 meters from the building line is eligible for plan damage, is unconstitutional, but only with regard to land located in areas other than residential areas such as in industrial areas, areas for craft businesses, areas for small and medium-sized enterprises and other areas that, on the day prior to the entry into force of the final plan, in which a construction ban is imposed, were intended to receive buildings with a building depth of more than 50 meters from the building line (10 November 2016, no. 140/2016);

  • oordeelt dat artikel 2bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, dat stelt dat ingeval de strafvordering wordt ingesteld tegen een rechtspersoon en tegen degene die bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, wegens dezelfde of samenhangende feiten, dat de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van de strafvordering tegen de rechtspersoon, ambtshalve of op verzoekschrift, een lasthebber ad hoc aanwijst om deze te vertegenwoordigen, grondwetsconform is;

    de ontstentenis van een mechanisme dat een tenlasteneming mogelijk maakt van de kosten en erelonen van de lasthebber ad hoc die met toepassing van die bepaling is aangewezen, wanneer de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt insolvabel is, schendt dezelfde bepalingen;

    oordeelt dat de artikelen 508/1 en 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek ongrondwettig zijn, in zoverre zij de strafrechtelijk vervolgde rechtspersoon die over onvoldoende inkomsten beschikt uitsluiten van juridische tweedelijnsbijstand;

    decides that Article 2bis of the preliminary title of the Code of Criminal Procedure, which states that if the criminal proceedings are brought against a legal entity and against the person authorized to represent the legal entity, due to the same or related facts, that the court having jurisdiction to hear the criminal procedure against the legal entity, officially or on petition, assigns an ad hoc trustee to represent this legal entity, is in accordance with the Constitution;

    the lack of a mechanism that allows management of the costs and fees of the ad hoc trustee who is assigned with the application of that provision, when the legal entity that he represents is insolvent, violates the same provisions;

    rules that Articles 508/1 and 508/13 of the Civil Code are unconstitutional, insofar as they exclude the criminally prosecuted legal entity who has insufficient resources from secondary legal assistance (17 November 2016, no. 143/2016);

  • vernietigt de artikelen 39 en 40 van het decreet van het Waalse Gewest van 17 december 2015 houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2016 en basisartikel 36 01 90 van Organisatieafdeling 17 van de als bijlage bij dat decreet gevoegde Ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2016;

    annuls the Articles 39 and 40 of the Decree of the Walloon Region of 17 December 2015 on the general revenue budget of the Walloon Region for the budget year 2016 and basic Article 36 01 90 of Organization Department 17 of the Revenue budget annexed to that Decree of the Walloon Region for the budget year 2016 (17 November 2016, no. 146/2016);

  • vernietigt de woorden « op 2 december 2013 » in artikel 153, § 3, derde lid, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, ingevoegd bij artikel 77 van de wet van 17 juli 2015 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid;

    annuls the words « on 2 December 2013 » in article 153, § 3, third paragraph, of the Consolidation Act of 10 May 2015 on the practice of the health professions, inserted by article 77 of the Act of 17 July 2015 pertaining to various provisions relating to health (24 November 2016, no. 148/2016);

  • vernietigt artikel 46, § 1, eerste lid, 7°, d), van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij de wet van 16 mei 2016 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;

    annuls Article 46, § 1, first paragraph, 7°, d), of the Act on Industrial Accidents of 10 April 1971, as it was applied before the abolition thereof by the Act of 16 May 2016 relating to various provisions on social matters (24 November 2016, no. 149/2016).
     

B. No violation of the Constitution

The Belgian Constitutional Court:

  • beschouwt artikel 2.6.2, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat inhoudt dat een planschadevergoeding wordt toegekend wanneer, op basis van een in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan, een perceel niet meer in aanmerking komt voor een vergunning om te bouwen, vermeld in artikel 4.2.1, 1°, of te verkavelen, terwijl het de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat definitieve plan wel in aanmerking kwam voor een vergunning om te bouwen of te verkavelen, als grondwetsconform;

    holds that Article 2.6.2, § 2, of the Flemish Code of Zoning Law, that includes that a compensation is granted when, on the basis of a spatial implementation plan that entered into force, a plot no longer qualifies for a building permit, mentioned in Article 4.2.1, 1°, or to create an allotment, while the day prior to the entry into force of that final plan, the plot was eligible for a permit to build or to create an allotment the day prior to the entry into force of that final plan, is in accordance with the Constitution (10 November 2016, no. 140/2016);

  • oordeelt dat de artikelen 572bis, 7°, en 591, 14° van het Gerechtelijk Wetboek, die respectievelijk stellen dat de familierechtbank, onverminderd de bijzondere bevoegdheden die zijn toegekend aan de vrederechter en de bijzondere wetgevingen, kennis neemt van de vorderingen met betrekking tot onderhoudsverplichtingen met uitzondering van die welke betrekking hebben op het leefloon, en dat de vrederechter, ongeacht het bedrag van de vordering, kennis neemt van de aan het leefloon gerelateerde verplichtingen tot levensonderhoud, grondwetsconform zijn;

    decides that Articles 572bis, 7° and 591, 14° of the Judicial Code, which respectively state that the Family Court, without prejudice to the special powers that are assigned to the Justice of the peace and the special Acts, that becomes aware of the claims regarding the maintenance obligations with the exception of those relating to living wages, and that the Justice of peace, regardless of the amount of the claim, becomes aware of the obligations regarding sustenance, related to living wages, are in accordance with the Constitution (17 November 2016, no. 142/2016);

  • beschouwt artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, dat inhoudt dat wanneer de verzoekende partij de termijnen voor het toesturen van de memorie van wederantwoord of van de toelichtende memorie niet eerbiedigt, de afdeling, nadat de partijen die daarom verzocht hebben, gehoord zijn, uitspraak doet zonder verwijl, waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld, als grondwetsconform;

    holds that Article 21, second paragraph, of the Acts on the Council of State, coordinated on 12 January 1973, that states that when the requesting party does not abide the periods for sending the statement of objections in reply or the explanatory statement of objections, the department, after the parties which have therefore requested, were heard, passes a verdict without delay, where the lack of interest is determined, is in accordance with the Constitution  (17 November 2016, no. 144/2016).

Print Friendly, PDF & Email
Share on Social Media

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *